Nieuwe publicatie: "Terrorisme in België"

Ponsaers, P. (2020). Terrorisme in België. Polarisering en politiek geweld. Oud-Turnhout / ’s-Hertogenbosch: Gompel & Svacina, pp. 326. Met een voorwoord van Rik Coolsaet.

“We mogen ons gelukkig prijzen dat Paul Ponsaers ons bij de les houdt. Met zijn nieuwe studie naar het rechts- en links-extremistische alsook het “geïmporteerde” politieke geweld van de jaren tachtig voltooit hij een triptiek die de hele bandbreedte van het politieke geweld in de recente geschiedenis van ons land bestrijkt.” – Prof. Dr. Rik Coolsaet over ‘Terrorisme in België’

Sinds de Tweede Wereldoorlog is België geregeld het doelwit van terreur. Niet alleen door links- en rechts-extremistisch geweld dat ‘van binnenuit is gegroeid’, maar ook door gewelddaden die hun oorsprong vinden in buitenlandse conflicten. Dit boek brengt dit voor het eerst in kaart. Daarbij gaat ook ruime aandacht naar de context waarbinnen de terreur vorm kreeg.

Het eerste deel schetst het verhaal van de zogenaamde extreemlinkse Cellules Communistes Combattantes. Het tweede deel behandelt het Front de la Jeunesse en de Vlaamse Militanten Orde, twee extreemrechtse private milities. Het derde deel gaat over politiek geweld in België dat onder meer voortvloeide uit het Israëlisch-Palestijns conflict, de Marokkaanse machtsstrijd en de Turkse kwestie. In een verhalende schrijfstijl en met een wetenschappelijke systematiek ontrafelt de auteur de dynamiek van polarisering en radicalisering die uitmondt in geweld.

Bestellen

Een kort interview over de nieuwe publicatie "Terrorisme in België"

Interview met Dirk Leestmans over "Terrorisme in België. Polarisering en Politiek Geweld", Juristenkrant, 28/05/2020

"De aanslagen van 22 maart 2016 hebben ontstellend veel slachtoffers gemaakt. Maalbeek en Zaventem zijn het 9-11 voor België en heeft al het voorafgaande uit het collectieve geheugen gewist”. Dat zegt Paul Ponsaers. Nochtans, zo leert zijn recentste boek, is er nogal wat voorafgaands. “Sinds de Tweede Wereldoorlog werd ons land geregeld het doelwit van terreur. Ik wil de lezer een duidelijk beeld geven van wat er precies gebeurd is en wat daarachter zit”.

Wie het boek van Paul Ponsaers van achter naar voor zou lezen, begint met een lijst van net geen 200 data waarop politieke terreur gepleegd werd in ons land. Het getal alleen al bevestigt de stelling van Ponsaers: politiek geweld is niets nieuws. “We vergeten dat nogal eens, maar ons land is eigenlijk heel vaak het slagveld van terroristische daden geweest”. In zijn boek analyseert hij de feiten door ze te catalogeren als extreemlinks en extreemrechts geweld, en wat je zou kunnen noemen geïmporteerd geweld, geweld dat zijn oorsprong vindt in buitenlandse politieke conflicten. “Ik besef goed dat de lijst niet exhaustief is. Volledigheid kan je in dit soort zaken nooit bereiken”. Toch blijft de vraag hoe hij te werk is gegaan op een terrein dat per definitie erg schimmig is - zelf omschrijft hij het als een rafelig werkveld?

‘Dit boek is het resultaat van jarenlang documenteren van gebeurtenissen die ik al die tijd al volgde. Naast de feitelijke informatie heb ik getracht met mensen te spreken die vanuit een bevoorrechte positie die gebeurtenissen ook gevolgd hebben. Er zullen ongetwijfeld nog zaken zijn gebeurd waarvan niemand kennis heeft. Maar als er ergens een bom is ontploft, staat het natuurlijk wel in de krant. Vandaar ook mijn uitgangspunt dat het moest gaan om het effectief plegen van geweld, niet het radicaliseren in de hoofden”. “Zeker ook hier is er een groot dark number. Sommige zaken zijn in alle clandestiniteit voorbereid maar werden nooit ten uitvoer gebracht. Vaak wisten politie en inlichtingendiensten dat niet eens. Vandaar ook begrippen als “conspiratie”, “samenzwering” of “complot” en de bijhorende voedingsbodem voor complottheorieën”.

Gegeven dat probleem, denkt u dat u een voldoende duidelijk beeld kreeg van uw onderwerp?

“Dat is een goeie vraag. Maar die vraag rijst ook voor politie en inlichtingsdiensten, advocaten en magistraten. Ook zij zien slechts een gedeelte van de realiteit, de realiteit zoals die vervat zit in het gerechtelijk dossier. En hetzelfde geldt voor de media. Ook zij hangen een beeld op, op basis van wat ze aan informatie krijgen uit die kanalen”.
“Het is dus inderdaad een gefilterd verhaal, maar het kan niet anders. Ik beweer niet het ultieme verhaal geschreven te hebben, dat zal in dit soort verhalen wellicht nooit gebeuren, maar wel de beschikbare informatie afgewogen te hebben en in een context te hebben geplaatst”.

SCHIMMENSPEL

Soms overtreft de realiteit de fIctie, dat blijkt eens te meer uit uw boek. Hebt u zichzelf moeten wapenen tegen complotdenken?

"Toch wel, ja. Dat schimmenspel leidt immers nogal gemakkelijk tot complottheorieën. In dossiers zoals dat van de “Cellules Communistes Combattantes” (CCC) of dat van Abdelkader Belliraj (man die gelinkt wordt aan Al Qaida én Staatsveiligheid, nvdr) word je geconfronteerd met interventies van de staat waarvan je je afvraagt, wat is dit nu eigenlijk allemaal? Ik heb die vragen dan ook allemaal netjes opgeschreven zonder altijd een antwoord mee te geven aan de lezer. In een aantal dossiers blijven nu eenmaal vraagtekens. Waarom heeft het bijvoorbeeld zo lang geduurd in het dossier van de CCC vooraleer men tussenkwam? Men had aantoonbaar infiltranten in die groep. Waarom heeft men dan niet vroeger ingegrepen?"

Ligt een deel van het antwoord niet in het spanningsveld tussen politiediensten en inlichtingendiensten. Die laatste willen hun informatiepositie maximaal exploiteren, politie wil zo mogelijk sneller tussenkomen? 

“Dat klopt. Het is zeker zo dat je in sommige dossiers mensen uit de inlichtingendiensten tegenkomt, of interventies van hen, die vragen oproepen”.

Belgische inlichtingendiensten beweren altijd dat ze zuivere inlichtingendiensten zijn en in tegenstelling tot andere buitenlandse diensten geen actiedienst. Bent u overtuigd van dat standpunt?

“Neen, niet altijd”. “Wat is ook het verschil tussen een agent van een dienst of een burger die werkt in opdracht van hen en zich verder waagt in dat milieu? Die mensen lopen natuurlijk ook niet rond met een lidkaart van de geheime dienst”.
“Het precieze statuut van die mensen is lang niet altijd duidelijk. Dat maakt het allemaal erg moeilijk. Maar tegelijk moet ook gezegd worden dat zich dat tegen die diensten kan keren. Mensen beweren nogal makkelijk dat ze werken in opdracht van de geheime diensten. In die context ontwikkelen ze allerlei initiatieven die die diensten ook in diskrediet brengen en waartegen ze zich zeer moeilijk kunnen verdedigen”.

In tegenstelling tot de periode die u beschrijft, is er nu wel wetgeving rond burgerinfiltranten en is er voorbereidend werk rond een nieuwe spionagewet. Kan men dit soort materies eigenlijk wel behoorlijk regelen gegeven de aard van het werk?

“Het is niet onmogelijk maar het is wel een groot probleem. Het noopt tot een strakke interne controle die niet publiek hoeft te zijn. Maar toezicht moet er natuurlijk wel zijn”. “In deze kwesties wordt er vaak geredeneerd op basis van deducties. Als dit zo gebeurd is, kan het haast niet anders dat… Die gedachte. Maar harde bewijzen dat X aangestuurd wordt door Y zijn zo goed als nooit aanwezig. Staatsgevaarlijke zaken kunnen daarom niet altijd strafrechtelijk worden aangepakt. En als er al bewijzen zijn, zijn ze vaak niet aanwezig in een strafdossier maar wel in een parallel dossier dat niet tot een gerechtelijke vervolging heeft geleid”.

“Toen in Duitsland de Nationaalsocialistische Untergrund (NSU) ter discussie stond omdat sommigen vonden dat het een staatsgevaarlijke organisatie was, trok men naar het Grondwettelijk Hof om die groepering buiten de wet te laten stellen. Het Grondwettelijk Hof meende dat ze dat onmogelijk kon doen omdat ze op basis van verschillende verklaringen van leden van die groepering, niet meer het onderscheid zag tussen verklaringen van partijleden dan wel infiltranten. Als de grens tussen dichtung und wahrheit niet duidelijk is, toont dat ook aan hoe moeilijk het soms kan zijn”.

ADVOCAAT OF ACTIVIST?

Inherent aan deze materie is ook het spanningsveld tussen terreurbestrijding en vrijwaring van burgerlijke vrijheden. Die discussie werd ook erg gevoerd in Duitsland ten tijde van de gewelddadige acties van de extreemlinkse Rote Armee Fraction (RAF), de Baader Meinhof gruppe. Hebt u het gevoel dat de slinger toen inderdaad de verkeerde kant is opgegaan?

“Ja, toch wel. Er is toen geraakt aan vrijheden, denk aan de invoering van het beroepsverbod. Dat vind ik erg vergaand en problematisch”. ‘Maar je kan er niet omheen dat de RAF daar zelf ook een aandeel in had door complottheorieën te voeden. Denk aan de overlijdens van een aantal van hun leden in de Stammheimgevangenis waar het nooit duidelijk werd of het zelfmoord was dan wel moord. Het is mijn overtuiging dat er vanuit de terreurorganisatie een doelbewuste politiek is gevoerd om die vragen op te roepen”.

“Zo werkt polarisering. Ons land heeft een gelijkaardige dynamiek gezien in de zaak van advocaat Michel Graindorge, een linkse maar volgens mij wel democratische fIguur, die rond zich een aantal merkwaardige figuren heeft verzameld waardoor je je de vraag kan stellen of hij niet gemanipuleerd werd. En des te merkwaardiger is de vaststelling dat in datzelfde milieu dan de CCC ontstaat”.

Vanwaar eigenlijk een apart hoofdstuk gewijd aan Michel Graindorge?

“De man heeft de verdienste de detentievoorwaarden te hebben verbeterd. In die zin kan je zijn impact niet onderschatten. In het verlengde van de opstand in de gevangenis van Leuven Centraal komt er een Comité voor hulp aan gedetineerden dat zich rond zijn figuur organiseert. Maar je ziet dat er tegelijk ook comités worden opgericht die zich richten op de verdediging van politieke gedetineerden. Het moet voor hem niet gemakkelijk geweest zijn zich daarin te positioneren. Voor mij is er duidelijk een overflow tussen de CCC en die figuren die zich bewogen rond Graindorge. Heel de discussie rond de rechten van verdediging, van gedetineerden vooral ook, werd daardoor in hoge mate gehypothekeerd”.

Tegelijk werd beweerd dat Michel Graindorge hand- en spandiensten leverde aan het crimineel milieu?

“Net zoals de Duitse advocaat Klaus Croissant dat deed aan de RAF. Dat doet de vraag rijzen naar de grenzen van de rechtstaat. In Duitsland heeft men op een bepaald moment gezegd dat advocaat Klaus Croissant lid is van de RAF. Zo ver is men in ons land niet gegaan. Michel Graindorge werd wel vervolgd maar is finaal vrijgesproken”.

U omschrijft de verdediging van de RAF als erg controversieel?

“Omdat ze geen afstand meer hielden van hun cliënteel en zelf deel gingen uitmaken van de organisatie en ook feiten pleegden. Extreemlinkse sympathisanten bejubelden hen als politiek geëngageerde juristen terwijl justitie hen ervan verdacht hun cliënten te helpen hun strijd vanuit de gevangenis verder te zetten, meer, in de rechtszaal voort te zetten”.

Zij argumenteerden dat ze een politieke verdediging voerden, geen juridische?

“Ja, maar als je geen juridische argumenten heb en je verdediging louter politiek is, moet je ook niet naar de rechtbank gaan, he”.

Rik Coolsaet schrijft in zijn voorwoord dat hij meer nuance ziet bij die mensen die op de eerste rij staan bij terreurbestrijding dan bij politici. Deelt u zijn visie?

“Ja. De mensen binnen de anti-terreurdiensten hebben natuurlijk enorm veel bijgeleerd over die milieus, vandaar dat ze vaak met een veel genuanceerder blik naar al die fenomenen kijken. Ze beschikken over al die dossiers en hebben inmiddels nogal wat gecumuleerde kennis. In het parlement is er veel meer een komen en gaan van volksvertegenwoordigers waar die opgebouwde kennis veel minder aanwezig is”.

U omschrijft terrorisme als een vorm van intimidatie. Als politiek geweld fnaal berecht moet worden door een hof van assisen is het nog maar de vraag in welke mate lekenrechters al dan niet geïntimideerd zijn om nog vrij te oordelen?

“Zo werkt terreur: macht is uitgesteld geweld. Terroristen proberen macht uit te oefenen op de bevolking en het politiek apparaat om hun eigen politieke agenda door te drukken. Als er brutaal geweld gebruikt wordt, dient dat natuurlijk ook als afschrikmiddel. Een jurylid beseft echt wel hoe gevaarlijk dat potentieel kan zijn. En je kan je dus terecht afvragen of de burger dan nog wel geschikt is om recht te spreken in dit soort kwesties”.

“Mijn antwoord is ondubbelzinnig neen. Men verwacht blijkbaar van juryleden dat ze daarvoor ongevoelig zouden zijn terwijl dat natuurlijk niet zo is”.

CCC

In verband met de extreemlinkse Cellules Communistes Combattants die in de jaren ‘80 een reeks bomaanslagen pleegden, suggereert u dat het allesbehalve duidelijk is wie of wat hier precies achter zit omdat de groep blijkbaar in hoge mate geïnfltreerd was?

“Ik zou durven zeggen dat na al die jaren het dossier van de Bende van Nijvel meer antwoorden gekregen heeft dan het dossier van de CCC. Want bij die laatste zijn de vragen nooit publiek gesteld, laat staan dat ze een helder antwoord kregen. Dat is merkwaardig, niet?”

Typerend voor dat schimmige spel is de figuur van Michel Appelmans. U spreekt over hem in termen van een ‘agent provocateur’?

“Geef toe, die man was meer dan een infltrant. (nadrukkelijk) Hij ageert. Wat doet hij bij de brandstichting van het linkse weekblad Pour? Doet hij dat in opdracht van de dienst waarvoor hij werkt of niet? En uitgerekend diezelfde man beweegt zich dan in kringen van de CCC. Dan moet je je toch afvragen welke stuwende kracht achter zo’n man schuilgaat”.

U omschrijft de CCC-leden als ‘nuttige idioten’?

“Ik twijfel niet aan hun persoonlijke overtuiging. Ik denk dat die mensen hebben gehandeld conform hun ideologie. Maar ze hebben niet gezien dat ze met hun campagne gestart zijn op het moment dat in het buitenland gelijkaardige groeperingen, denk aan Action Directe in Frankrijk en de RAF in Duitsland, eigenlijk al volledig geïnfltreerd waren door mensen van overheidsdiensten, dermate dat ze nauwelijks nog een stap konden zetten zonder dat die diensten het wisten. En net op dat moment nemen zij een aanvang met hun actie. Tja, als je dat niet ziet, denk ik dat je idioot bent”.

‘En bovendien zagen zij ook niet dat al dat extreemlinks geweld op een of andere wijze alleen maar een verrechtsing bewerkstelligde”.

“Ik geloof niet in de grote complottheorieën of de theorie van de spanning. Maar je moet slechts een paar individuen hebben die aan enkele losse eindjes van een spinnenweb trekken om die in een bepaalde richting te krijgen. Dat is, denk ik, wat er gebeurd is met de CCC”.

Beweert u dat de CCC’ers zich hebben laten gebruiken?

“Dat denk ik wel. Al is het nooit echt helder geworden”. “Plaats die organisatie in de tijdscontext: de massale vredesbeweging en de toenemende polarisatie daarover. De rakettenkwestie was hét maatschappelijke debat waarrond zich allerlei krachten ontwikkelden, evident ook die van binnen- en buitenlandse overheden. Herinner u, de rakettenbetogingen, de grootste betogingen die ons land ooit hebben gekend. Wie haalt het dan in zijn hoofd om naar de woning van een van de leiders van die vredesbeweging, Pierre Galand, een molotovcocktail te gooien in naam van de CCC. Als je zoiets doet, heb je nergens nog medestanders”.

Maar zeg eens wie of wat daar dan achter zit? Wie bracht de CCC dan op het idee om dat te gaan doen?

“Mocht ik het weten, ik zou het opgeschreven hebben. Helaas, zo eenvoudig is het niet. Ik vraag het me ook af, wie die knapen zo ver gebracht heeft om dat te doen”. 
“Ik blijf er van uitgaan dat het geen grote samenzwering was van “de staat”. Ik denk wel dat er individuen waren die mee in een of andere richting trokken. Ik geef in mijn boek enkele namen van mensen wiens positie totaal onbegrijpelijk is. Mensen die voor inlichtingendiensten werken en tegelijk actief zijn op extreemlinks en contacten hebben in het extreemrechtse milieu. Dat soort van spiders in the web, dat zijn mensen die aan touwtjes kunnen trekken”.

Het wezenlijke verschil tussen extreemlinks en extreemrechts is, zo stelt u, dat de eerste geïnfiltreerd worden door mensen uit het overheidsapparaat terwijl de tweede juist medestanders zoekt in dat overheidsapparaat?

“Extreemlinks stelt zich op als staatsvijand nummer 1. Extreemrechts in ons land volgde een totaal andere strategie: extreemrechts wil de staat bezetten, niet bestrijden”.

“Opvallend daarbij is dat de meeste terreurdaden van extreemrechtse signatuur niet omschreven werd als ‘terrorisme’ maar wel als inbreuken op de wet op de privémilities”.
Privémilities in ons land zijn organisaties die doen alsof ze een stuk van de staat zijn. Die milities hebben getracht delen van de staat te bezetten of mensen binnen dat apparaat te verleiden, te intimideren en te chanteren”.

U zegt dat de wet op de privémilities erg efficiënt was omdat het geleid heeft tot het terugdringen van extreemrechts geweld van onder andere Front de la Jeunesse en de Vlaamse Militanten Orde?

“Als er al sprake is van succes, ligt dat in het feit dat er mensen van die groeperingen zijn veroordeeld voor deelname aan activiteiten van een private militie. Men is er evenwel nooit in geslaagd om die milities als zodanig te veroordelen. Het strafrecht was in deze dus doeltreffend, wat niet wegneemt dat er nieuwe initiatieven groeiden en dat is voortdurend zo”.

CONTINUÏTEIT IN NETWERKEN

Ook nogal wat buitenlandse organisaties zoals het Front Islamique du Salut (FIS) en de Groupe Islamique Armé (GIA) hebben hun strijd op Belgisch terrein uitgevochten. In het verlengde daarvan stelt u vast dat de Marokkaanse inlichtingendiensten op ons grondgebied bijzonder actief waren?

“Dat was in die tijd zeker zo. Vandaag de dag zouden ze het niet meer moeten proberen, zo denk ik, maar in die periode was men er zich hier nauwelijks van bewust. Als er op een bepaald moment 150 Marokkaanse inlichtingsagenten actief zijn op Belgisch grondgebied, dat is een klein legertje”.

Hoe weet u zo zeker dat het vandaag niet meer gebeurt? Ik hoorde ooit een gewezen baas van de Staatsveiligheid zeggen dat hij al blij was als hij wist dat een buitenlandse inlichtingendienst in ons land actief was, laat staan dat men daar controle over heeft?

“Dat is koffiedik kijken. Het gaat om per definitie niet zichtbare dingen. Geheime diensten werken nu eenmaal clandestien. Dat blijft dus onder de radar, ook van onze eigen inlichtingendiensten. Maar als dat een troost kan zijn, dat is niet alleen in ons land zo, dat is in de hele wereld zo. Dat is het gegeven van spionage en contra-spionage”.

Uit uw inventaris blijkt dat politiek geweld niets nieuws is. Gegeven die continuïteit, is onze overheid nu beter gewapend tegen terrorisme?

“Met vallen en opstaan heeft men geleerd. Dat is ontegensprekelijk zo. Maar terreurorganisaties leren ook bij natuurlijk. Het blijft hoe dan ook een zeer moeilijke kwestie waarbij het strafrecht een beperkte rol speelt”.

“Lone wolves, die worden opgepakt en het probleem is opgelost. Maar in netwerken van organisaties of mensen die in onderling verband met elkaar samenwerken, zit veel meer continuïteit. Als je daar individuen uithaalt, verdwijnt het netwerk nog niet. Mensen worden vervangen. Meer, mensen die om een of andere reden betrokken zijn bij een ideologische strijd, zijn geen individuen meer, dat zijn mensen die zich inschrijven in een groep. En de groep blijft, ook als de individuen wegvallen”.

‘Het is voor een overheid heel erg moeilijk om dat soort los-vaste verbanden in de klauw te krijgen. Dat is dus een terrein dat aandacht vraagt en dat zal onvermijdelijk permanent zo blijven”.

België heeft nu wel een veel uitgebreider wettelijke arsenaal aan anti-terreurmaatregelen?

“Dat klopt. Maar in termen van de strafwet blijft er het gegeven dat individuen strafbare feiten moeten plegen vooraleer ze vervolgd kunnen worden. En je kan wel lidmaatschap van een terroristische organisatie strafbaar stellen, maar dat blijft een slag in het water wanneer die mensen in het buitenland verblijven en niet gevat worden”.

“Terrorisme blijft in strafrechtelijke termen deels onvatbaar. Strafrecht is maar strafrecht en dat is maar goed ook. Je moet heel concreet bewijsmateriaal hebben om mensen te kunnen veroordelen en dat houden we best zo”.

“Mijn aanvoelen is dat er in heel Europa een shift is naar radicalisering die zich nog niet heeft uitgekristalliseerd in politiek geweld maar wel daarnaartoe groeit. Ik heb het over extreemrechts. Wat doe je nu als overheid met je terreurwetgeving? Wachten tot er iets gebeurt? We zijn nu in de fase van de voorbereiding van de geesten, de strijd om de gedachten. Daar kan je met strafrecht niet tegenaan gaan. Daar moet je het publieke debat veel sterker voeren. En dat gebeurt te weinig. Maar dat is geen juridische kwestie, dat is een maatschappelijke kwestie”.

Recensie door Lex Cachet over "Terrorisme in België. Polarisering en Politiek Geweld", 21/09/2020, Platform Overheid

Belgische slagvelden

Door de eeuwen heen is het huidige België het slagveld bij uitstek geweest voor andere Europese landen en machten om hun conflicten gewelddadig uit te vechten. Dat gold lang geleden al voor het Franse koningshuis en de Duitse Habsburgers. Wat recenter was België één van de belangrijkste slagvelden tijdens de Eerste Wereldoorlog. En ook de Tweede Wereldoorlog ging niet ongemerkt aan het land voorbij. Na 1945 lijkt ‘slagveld België’ een andere invulling te hebben gekregen. Nu waren het in belangrijke mate intern-Belgische conflicten die in het land werden uitgevochten. De naoorlogse Koningskwestie, de taalstrijd en de bredere tegenstelling tussen Vlaanderen en Wallonië speelden daarbij zeker een rol. Daarnaast kreeg België, als veel andere West-Europese landen, ook te maken met elders wortelende terreurbewegingen die een deel van hun strijd op Belgisch grondgebied meenden te moeten voeren.

België laat sinds de Tweede Wereldoorlog een welhaast caleidoscopisch beeld zien van inheems extreemlinks en extreemrechts terrorisme in combinatie met geïmporteerd politiek geweld, tegenwoordig vooral van Palestijnse resp. extreem Islamitische origine. Hoewel andere West-Europese landen daar ook incidenteel mee te maken hebben gehad, lijkt België toch wel een unieke casus. Zeker vergeleken met Nederland – maar waarschijnlijk ook vergeleken met veel andere West-Europese landen – is de terreur in België van een ongekende omvang en diversiteit. In een nieuw boek brengt Paul Ponsaers zorgvuldig en gedetailleerd in beeld wat zich in België de afgelopen decennia allemaal voordeed[1]. Ponsaers schreef eerder vergelijkbare boeken over de achtergrond van de grote Jihadistische aanslagen in België en over de nog altijd onopgeloste terreur van de bende van Nijvel[2].  

Ponsaers maakt zorgvuldig onderscheid tussen terrorisme en radicalisering. Over radicaal gedachtengoed ‘an sich’ gaat zijn boek niet. Kenmerkend voor terrorisme is dat gewelddadige acties worden ondernomen met het oogmerk politieke verandering te bewerkstelligen. Dat onderscheidt terroristisch geweld ook van gewone criminaliteit: terroristen plegen hun gewelddadige acties met een publiek doel voor ogen (p.16). Terroristen willen macht verwerven.

Dit boek over terrorisme is als het ware het derde deel van een drieluik. Samenhang met de andere delen van het drieluik is er zeker. Sommige plegers van rechts-extremistisch geweld worden ook in verband gebracht met aanslagen van de bende van Nijvel. Her en der lijken rechtse of linkse extremisten over te lopen naar bewegingen aan de andere kant van het spectrum; mogelijk (soms) als informanten of undercover-agenten.

Soms lijkt extreem-links ruimte te krijgen zijn acties voort te zetten en gebruikt te worden om op die manier een rechtse tegenreactie in de kaart te spelen (p.276). Opvallend is ook hoe vaak in het rechts-extremistische milieu (voormalige) militairen, politiemensen of medewerkers van inlichtingen- en veiligheidsdiensten actief zijn.

De schotten tussen ‘gewone’ criminaliteit, terroristisch geweld – om het even of het politiek of religieus geïnspireerd is – en geweld gepleegd door verwarde personen blijken flinterdun. Sommige plegers van gewelddaden passen in alle drie de categorieën. En zelfs de schotten tussen de plegers van terreur en de bestrijders ervan blijken in België dus soms niet of nauwelijks te bestaan.  

Omvang, diversiteit en dergelijke verwevenheden maken het buitengewoon lastig het terrorisme in België te overzien en er greep op te krijgen. Dat laatste – controle – is de Belgische diensten en de rechtspraak dan ook niet of nauwelijks gelukt. De nog altijd onopgeloste ‘bende’ moorden vormen wat dat betreft wel het absolute dieptepunt. Maar ook veel ander terroristisch geweld is in ieder geval niet verijdeld. In veel gevallen is het ook (deels) onopgelost gebleven en in veel gevallen is het dus ook onbestraft gebleven. Paul Ponsaers heeft in dit boek – en de beide voorgaande – vooral meer inzicht willen geven in het fenomeen terrorisme. Dat is hem in veel opzichten ook gelukt. Maar zelfs hij heeft het raadsel van de Bende van Nijvel niet voor eens en voor altijd weten op te lossen.

In dit boek zijn er minder losse einden dan in Loden Jaren: veel wordt in beeld gebracht en inzichtelijk gemaakt. Maar ook hier loopt de auteur – zijn gedetailleerde en diepgravende analyses ten spijt - soms toch tegen de grenzen aan van wat we weten. Net als de rechtspraak en vaste parlementaire onderzoekscommissies op dit terrein heeft ook Ponsaers niet op alle vragen een antwoord. Dat is allerminst een schande. In Nederland hebben we niet eens de weinige (linkse) terreuraanslagen van binnenuit – zoals die van RaRa - bevredigend kunnen oplossen.

Het grote verschil tussen Nederland en België betreft drie aspecten. Allereerst heeft Nederland van binnenuit wel enige terreur gekend (vooral linkse, nauwelijks rechtse) maar veel minder en veel minder divers. Qua geïmporteerd terrorisme (o.a. RAF, ETA, Rode Brigades, Palestijnen; later Islamitische terreur als IS) lijken de landen wat meer op elkaar; zeker in de jaren ’70 en ’80. Dan is er de vervlechting tussen leger, politie, inlichtingen- en veiligheidsdiensten enerzijds en extremisme en terroristisch geweld, die in België voortdurend doorschemert. In Nederland kennen we dat niet of niet op die schaal. Voor zover er in Nederland in de sfeer van opsporing, inlichtingen en repressie zaken fout gaan is dat veel meer crimineel geïnspireerd (omkoping en corruptie) dan politiek of religieus extremistisch. En tenslotte moet, helaas, de conclusie luiden dat opsporing en vervolging in België weinig effectief zijn (geweest). Broodnodige reorganisaties van apparaten zijn of laat op gang gekomen (politie) of tot op de dag van vandaag uitgebleven (justitie). Ook dit boek leert de Nederlandse lezer dus weer dat de verschillen tussen Nederland en België groter zijn dan op het eerste gezicht lijkt.

Interessant is ook Ponsaers analyse van de verschillende relaties die links- en rechts-extremisme met de staat hebben. Kort samengevat: links extremisme is vaak uit op omverwerping van de huidige staat en de achterliggende machtsverhoudingen. Rechts daarentegen lijkt juist op te komen voor die staat – bijvoorbeeld in de vorm van actieve milities – maar ondermijnt uiteindelijk toch (als ze de kans krijgt) de bestaande democratische rechtsstaat ten gunste van een autoritaire en autocratische staat (p. 270 – 273).

Dit boeiende en zinvolle boek is tegelijkertijd ook een verontrustend boek. Het laat allereerst zien tot wat voor ongekende wandaden mensen soms te bewegen zijn onder invloed van extreem politiek of religieus gedachtengoed. Meestal zijn het maar weinigen die voor die verleiding bezwijken. Maar ze richten vaak wel enorme persoonlijke en maatschappelijke schade aan. Het boek laat ook zien hoezeer een zwakke en in zichzelf verdeelde staat, als de Belgische in de eerste decennia na WOII, slecht opgewassen was tegen bedreigingen van binnenuit. In deze tijd van politieke versplintering en geringe bestuurskracht, oplevend populisme en herlevend rechtsextremisme is dat een boodschap die we, liefst snel en drastisch, ter harte zouden moeten nemen. Ook in Nederland.

Lees de recensie op Platformoverheid

Lex Cachet - Bestuurskunde, Erasmus Universiteit Rotterdam                        


[1] Paul Ponsaers, Terrorisme in België. Polarisering en politiek geweld. Oud Turnhout: Gompel & Svacina, 2020. 326 blz.

Recensie door Walter Lotens* over "Terrorisme in België. Polarisering en Politiek Geweld", 7/05/2020, Apache

Levenswerk van journalist die wetenschapper werd 

‘Terrorisme in België’ is het laatste deel van een trilogie van Paul Ponsaers die in 2020 met veel meer kennis en voortschrijdend inzicht kan terugblikken op vijftig jaar polarisering en politiek geweld in België. Door zijn leeftijd heeft Ponsaers die halve eeuw van op de eerste rij kunnen meemaken als journalist die later wetenschappelijke onderzoeker werd en nu de luxe heeft om terug te blikken op een tijd die nog altijd niet afgesloten is en die nog steeds vragen blijft oproepen. Dat is een zeer bijzondere uitgangspositie. Alleen al daarom verdient dit werk alle aandacht.

Paul Ponsaers is geen beginneling in de hier gepresenteerde materie. Heel zijn carrière is hij intens bezig geweest met het bestuderen en beschrijven van politiek geweld in de recente geschiedenis van ons land. Daar begon hij al mee in 1976 toen hij promoveerde als socioloog aan de KUL op een proefschrift over terrorisme met als case study de fameuze Baader-Meinhof Groep.

Ook als journalist – hij werkte lang voor De Morgen – behoorde het onderwerp tot zijn interesseveld, maar later kwam hij via een doctoraat terug in academisch vaarwater terecht. Vanaf 1998 was Paul Ponsaers immers verbonden aan de UGent, meer bepaald aan de Vakgroep Strafrecht & Criminologie en de Onderzoeksgroep Sociale Veiligheidsanalyse, waar hij in de domeinen van de politieke wetenschappen, de rechtssociologie en financieel-economische criminaliteit doceerde.

Hoewel Ponsaers sinds 2012 op emeritaat is, blijkt hij nog lang niet uitgeschreven, want met dit lijvige ‘Terrorisme in België’ beëindigt hij zijn trilogie. Deze werd uitgegeven door Gompel & Svacina en begon met ‘Jihadi’s in België’ (2017) gevolgd door ‘Loden jaren – de Bende van Nijvel gekaderd’ (2018).

Daarmee, zo schrijft zijn inleider en ex-collega Rik Coolsaet, voltooit hij een triptiek die de hele bandbreedte van het politieke geweld in de Belgische geschiedenis van de laatste vijftig jaar in beeld brengt. Het is de terugblik en het levenswerk geworden van iemand die in 2020 met veel meer kennis en voortschrijdend inzicht kan terugblikken op polarisering en politiek geweld in België.

Door zijn leeftijd heeft Ponsaers die halve eeuw van op de eerste rij kunnen meemaken als journalist die later wetenschappelijke onderzoeker werd en nu de luxe heeft om terug te blikken op een tijd die nog altijd niet afgesloten is en die nog steeds vragen blijft oproepen. Dat is een zeer bijzondere uitgangspositie. Alleen al daarom verdient dit werk alle aandacht.

Zoals je van een onderzoeker mag verwachten, vertrekt Paul Ponsaers van een duidelijke omschrijving van zijn onderzoeksterrein. Terroristen willen macht verwerven, niet omwille van persoonlijke motieven, maar om politieke drijfveren. Vandaar ook de ondertitel van dit boek: polarisering en politiek geweld, uitgeoefend door buitenparlementaire groepen, zowel van extreemlinks als van extreemrechts, die daarmee druk en invloed willen uitoefenen op de democratische rechtsstaat en de samenleving.

Dat is een heldere, maar zeer algemene omschrijving waarmee de auteur, zoals hij het zelf noemt, ‘een rafelig werkveld’ betreedt. ‘Rafelig’, omdat de definitie van terrorisme tot op bepaalde hoogte retroactief is:

“Teruggaan in de tijd – nadat politiek geweld zich heeft voorgedaan – is nodig om de motieven van de daders te achterhalen, zeker wanneer een aanslag niet expliciet wordt opgeëist, maar om te bepalen vanaf welk moment die daders – en hun mogelijke medestanders – zich begonnen voor te bereiden op de ‘passage à l’acte’.” (p. 18)

Deel een en twee: van binnenuit 

Dat rafelige karakter heeft natuurlijk ook te maken met de bandbreedte van het werkveld en om daarin de weg niet te verliezen, bakent de auteur dit omvangrijke boek af in drie grote delen.

De eerste twee delen gaan over het politiek geweld dat ‘van binnenuit gegroeid is’, terwijl deel drie kijkt naar politiek geweld dat ‘van buitenaf ontstond’. Ook die opdeling is een beetje kunstmatig, zo geeft de auteur toe, want ‘nationaal’ en ‘internationaal’ zijn wel te scheiden, maar vaak niet te onderscheiden.

Dat blijkt al dadelijk uit het eerste deel ‘De CCC en het NAVO-dubbelbesluit’ waarin de auteur uitvoerig ingaat op het zogenaamde (formulering van Ponsaers) extreemlinkse Cellulles Communistes Combattantes (CCC) gedurende de periode 1982-1985, maar daarvoor schetst hij eerst de (inter)nationale context waarin die contestatie van het NAVO- dubbelbesluit plaatsvond.

Ondanks de ongekend grote massademonstraties van de vredesbeweging werd dat dubbelbesluit er toch politiek doorgedrukt en dat heeft geleid tot een andere strategische benadering van onder meer de CCC die de vredesbeweging op de korrel nam vanwege haar ‘kleinburgerlijk verzet’.

Dat brengt Ponsaers tot een uitvoerige parenthesis waarin hij de opkomst en de neergang van de Rote Armee Fraktion (RAF) in de toenmalige Duitse Bondsrepubliek bespreekt.

In het tweede deel ‘Het oorlogsverleden en de private milities’ kijkt hij naar het extreemrechtse geweld dat van binnenuit gegroeid is en daarvoor komt hij voor het Franstalig landsgedeelte terecht bij het Front de la Jeunesse (FdlJ) met Paul Latinus en Francis Dossogne. Van daaruit belandt hij bij Westland New Post (WNP), een paramilitair milieu waarin ook Paul Latinus een belangrijke rol speelde.

Zoals ook de historica Klaartje Schrijvers stelt in haar doctoraat ‘L’Europe sera de droite ou ne sera pas’ en met als toelichtende ondertitel ‘De netwerking van een neo-aristocratische elite in de korte 20ste eeuw’ – onlangs op een journalistieke manier hernomen in ‘Het archief van Walter’ – , verdiept Ponsaers zich ook in extreemrechtse kringen met een traditioneel, eerder royalistische achtergrond die bij figuren als Van den Boeynants en baron de Bonvoisin duidelijk aanwezig was.

Die neo-aristocratische elite van rechtse signatuur beantwoordt echter niet aan het klassieke profiel van extreemrechts dat collaboreerde met nazi-Duitsland waartoe Vlaams-nationalistische stormtroepen als het Vlaamse Militanten Orde (VMO) wel behoorden.

Deel drie: geïmporteerd geweld

In het derde deel ‘Het geïmporteerde politieke geweld’ heeft de auteur het dan over diverse vormen van ‘buitenaf ontstaan’ terrorisme en daaruit blijkt eens te meer hoe rafelig het onderzoeksterrein van de auteur wel is. Het betreft politiek geweld dat betrekking heeft op omstandigheden die buiten ons land liggen en dat zijn er heel wat.

Achtereenvolgens komen aan bod: de Palestijnse organisatie Abu Nidal, de affaire van de Marokkaan Abdelkader Belliraj die in België actief was en die nadien in kringen van Al Qaida en IS is terechtgekomen.

Verder bespreekt hij ook nog de acties van een aantal ‘lone wolves’ met aanslagen onder andere op de kerstmarkt in Berlijn, de London Bridge en de Ramblas in Barcelona.

België, terroristisch slagveld

Het is onmogelijk om al die elementen, namen en gebeurtenissen die in het boek aan bod komen ten volle te belichten, want ‘Terrorisme in België’ is met zijn negentien hoofdstukken dik en de lijst is lang. Daarom beperk ik me tot het signaleren van enkele bedenkingen van de auteur die ik pluk uit het afsluitende hoofdstuk ‘België als terroristisch slagveld’.

Ponsaers maakt daarin komaf met wat ‘de strategie van de spanning’, uitgeoefend door een vorm van staatsterrorisme, wordt genoemd. Die complottheorie als zou er in België een grootscheepse ‘samenzwering’ of ‘plan van destabilisatie’ hebben bestaan, wijst hij af. Het impliceert immers dat de ‘staat’ of de ‘overheid’ achter een subversieve manier van handelen zou zitten. Maar een staat, noch haar apparaten, zo merkt hij op, zijn geen blokken graniet.

‘Binnen politieke middens wordt er steeds een tegenstrijdig debat gevoerd, tussen meerderheid en oppositie; tussen uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht, en binnen partijen tussen fracties en tendensen, om te zwijgen van het rol van het middenveld.’ (p. 270)

Wat wel opvalt is dat extreemlinks en extreemrechts zich heel anders positioneren ten aanzien van de staat. Extreemrechtse groepen trachten leden te rekruteren binnen het staatsapparaat, vaak in kringen van (ex-)militairen, (ex-)paracommando’s, (ex-)politieambtenaren en (ex-)inlichtingenagenten.

Zij proberen de staat te ‘koloniseren’ terwijl extreemlinks afstand houdt en de strijd extern aan de staat voert. Ponsaers vermeldt echter uitdrukkelijk dat in de onderzochte periode bepaalde staatsapparaten veel meer oog hadden voor extreemlinks dan voor extreemrechts, maar dat heeft natuurlijk ook met die andere politieke positionering te maken.

Ponsaers onderzoekt voornamelijk de jaren tachtig van de vorige eeuw. Hij trekt naar het einde toe ook de lijn door naar het religieus geïnspireerde terrorisme van jihadistische signatuur dat hij ook beschouwt als een vorm van politiek geweld, maar dan een vorm die niet uitgaat van nationale terroristische netwerken. Die passen in een internationale terreurbeweging waarvan dan Al Qaida en IS de meest markante voorbeelden zijn.

Nuttig naslagwerk

Ponsaers beëindigt met dit boek zijn historische trilogie over politiek geweld in (en rond) België. Het is een terugblik gebaseerd op heel veel bronnen die hij in de loop van zijn journalistieke en wetenschappelijke bedrijvigheid verzameld heeft. Zijn terreinkennis ter zake is groot. Alleen al de chronologische lijst van terreurdaden in België na de Tweede Wereldoorlog, waarin hij in zijn trilogie naar verwijst, is impressionant.

Ook de talrijke en soms zeer uitvoerige voetnoten, die bijna de helft van de tekstbreedte van het boek beslaan, geven zeker een meerwaarde aan het boek. Ze zijn zowel verklarend – lezers die de periode niet hebben meegemaakt, vinden daarin zeker een stevige houvast – alsook nuancerend en relativerend, want ook na zovele jaren zijn niet alle vraagtekens weggewerkt.

‘Terrorisme in België’ als eyeopener

‘Terrorisme in België’ kan zeker een eyeopener zijn voor de jongere generatie – het thema is politiek zeer relevant en actueler dan ooit – maar het boek kan ook, door ouderen zoals ik, gebruikt worden als een naslagwerk om de feiten nog eens terug te vinden, maar dan duidelijk op een rijtje geplaatst.

In die zin zal dit boek zeker een goed bereikbare plaats krijgen in mijn bibliotheek, maar dan naast andere werken zoals dat van Rinke Van den Brink (‘De internationale van de haat’ en ‘In de greep van de angst’) , Walter De Bock en anderen (‘Extreemrechts en de staat’), Jos Vandervelpen (‘De CCC- de staat en het terrorisme’), Georges Timmermans (‘Het geheim van Belliraj’) en – zeker niet te vergeten – Hugo Gijsels ( o.a. ‘De bende & co’ en ‘Netwerk Gladio’).

Toevallig of niet zijn deze auteurs meestal ook gedreven onderzoeksjournalisten die vaak in een meeslepende stijl verslag hebben gebracht van hun bevindingen. Die scherpe pen die ook jarenlang tot het arsenaal van de journalist Paul Ponsaers heeft behoord, hanteert de tot wetenschapper getransformeerde auteur naar mijn mening in deze publicatie niet voldoende.

De wetenschapper moet per definitie afstand nemen van de materie die hij/zij bestudeert, maar dan blijft vaak ook de goede pen van de journalist in de achterzak steken. Dat is jammer.

“Terrorisme in België, polarisering en politiek geweld” van Paul Ponsaers werd dit jaar door Gompel & Svacina uitgegeven. Deze recensie verscheen op 30 april op Uitpers.

*Walter Lotens is een gepensioneerde leraar, mede-oprichter van de Actiegroep Kritisch Onderwijs (AKO), moraalwetenschapper, publicist en Latijns-Amerikawatcher. Hij werkt mee aan www.uitpers.be, www.dewereldmorgen.be en www.apache.be en schrijft boeken over bewegingen van onderuit van Borgerhout over Madrid en Barcelona tot Cochabamba en Paramaribo. Walter houdt lezingen rond de thema’s die hij in zijn boeken aansnijdt (www.walterlotens.net).

Recensie door Nina Henkens over "Terrorisme in België. Polarisering en Politiek Geweld", 6/05/2020, Conflict & Geweld

Macht is uitgesteld geweld

 

Paul Ponsaers is socioloog, criminoloog, voormalig journalist en hoogleraar Criminologie aan de Ugent. Sinds 1975 schrijft hij over en doet onderzoek naar terrorisme, extreem rechts en het veiligheidsbeleid in België. In eerdere publicaties ging hij dieper in op het onderzoek naar de Bende van Nijvel en Belgische jihadi’s. In zijn laatste boek Terrorisme in België: polarisering en politiek geweld vervolledigt hij zijn triptiek rond politiek geweld in het na-oorlogse België en neemt hij ons mee naar de jaren ’70 en ’80.

Ook vandaag kunnen we niet anders dan concluderen dat in het geweld tegen de democratische rechtstaat, de positionering van de staat en de veiligheidsdiensten daarbij van cruciaal belang zijn.

Met veel oog voor detail zoomt Ponsaers in op zowel extreemrechts als extreemlinks politiek geweld. Hij behandelt de geweldsdaden van de Cellules Communistes Combattantes en de extreemrechste privémilities die hun oorsprong vonden in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog: Front de la JeunesseWestland New Post en het VMO. Verder gaat hij in op wat hij  ‘geïmporteerd politiek geweld’ noemt in die periode: de terroristische aanslagen die in ons land gepleegd werden naar aanleiding van de conflicten in het Midden-Oosten waarbij Abdelkader Belliraj centraal stond. Als kers op de taart bevat het boek zelfs een 19-pagina’s tellend chronologisch overzicht van terreurdaden in België na WOII.

Het boek doorprikt moeiteloos de wijdverspreide veronderstelling dat politiek geweld nieuw is in ons land, en zich beperkt tot de jihadistische aanslagen van de laatste jaren.

Eye opener

De analyse die Ponsaers maakt van deze fenomenen is ‘oude stijl’: hij laat zich duidelijk niet beïnvloeden door het recent opgekomen radicaliserings-discours dat politiek geweld vaak individualiseert en psychologiseert. In plaats daarvan geeft hij ons – soms hele droge – opsommingen van juridische en wetenschappelijke feiten, die hij kadert binnen een geopolitieke context. Hij zoomt daarbij telkens in op wat hij de ‘passage à l’acte’ noemt: het moment waarop men overgaat tot het gebruiken van geweld. In een video-interview op zijn website linkt Ponsaers terrorisme expliciet met macht en intimidatie van het politieke apparaat. “Macht is uitgesteld geweld,” aldus de auteur, waarmee hij zich duidelijk laat inspireren door Hannah Arendt.

Voor veel millenials en latere generaties blijft het een eye opener dat er ook in de decennia vóór de eeuwwisseling hevige politieke polarisatie was, in dit geval tussen de blokken voor en achter het Ijzeren Gordijn. Ook toen voedden de beide polen van het politieke spectrum elkaar: extreem links dat zijn ontstaan vond in de protesten tegen imperialistisch geweld en het idee van de gewapende klassenstrijd, en extreemrechts waar naoorlogse en anti-communistische sentimenten samenkwamen.

Inmenging van de staat

Interessant daarbij is dat ook een licht geschenen wordt op de inmenging van de staat en hoe nauw de veiligheidsdiensten soms betrokken waren bij gewelddadige extreemrechtse groepering. Soms als oprichter, soms als infiltrant, en soms als dubbelagent. Duidelijk was dat een deel van het staatsapparaat in extreem rechtse groeperingen een bondgenoot vond in hun strijd tegen extreem links. Ponsaers gaat echter niet mee in de ‘theorie van de spanning’, die verwijst naar een vorm van staatsterrorisme waarbij veiligheidsdiensten zelf gewelddaden plegen, of geweldplegingen door extremistische groepen aanmoedigen met als doel een repressieve agenda door te drukken. Hij analyseert de verschillende posities die extreem rechts en extreem links aannemen tegenover de staat: extreem rechts ziet in de staat een medestander en gaat regelmatig over tot infiltratie, of in sommige gevallen tot de vorming van privé-milities die de rol van de staat overnemen of aanvullen. Niet samenzweringen en complotten dus, maar wel interne spanningen, tegenstellingen en de strategie van extreem rechts zorgen ervoor dat de veiligheidsdiensten op verschillende momenten erg kwetsbaar zijn geweest voor corruptie en infiltratie vanuit extreem rechts – en dat misschien nog steeds zijn. Dit in tegenstelling tot extreem links, die bij voorbaat de samenwerking met elke vorm van samenwerking met het staatsapparaat verwerpt, en waarbij het initiatief tot infiltratie dus van de staat zelf komt, die daarbij regelmatig een handje geholpen werden door extreem rechts.

De aandachtige lezer herkent in dit alles regelmatig patronen die terugkomen in de hedendaagse polarisatie en dynamiek van politiek geweld. Geschiedenis is en blijft daarom de beste leermeester. Want ook vandaag kunnen we niet anders dan concluderen dat in het geweld tegen de democratische rechtstaat, de positionering van de staat en de veiligheidsdiensten daarbij van cruciaal belang zijn. Het bepaalt immers welk vormen van politiek geweld, jammer genoeg, hun slag zullen thuishalen.