Blog Paul Ponsaers

De opleiding van politiemensen moet beter, véél beter

De Canvas-reportage omtrent de zaak Jonathan Jacob heeft voor beroering gezorgd. Opvallend is dat de klassieke paniek-reacties op een dergelijk moment meteen boven komen drijven. Politici roepen om het hardst en vragen (of is het eisen?) om meer controle, betere controle, externe controle, parlementaire controle … De reacties zijn begrijpelijk. Maar toch lijkt me dit alles zonder voorwerp als deze zaak opnieuw gereduceerd wordt tot het vraagstuk wie dan wel de verantwoordelijkheid voor de dood van de jongeman draagt. Wellicht zal er een antwoord moeten komen op deze vraag, maar we kunnen ons echt niet beperken tot dit vraagstuk. Er is meer, véél meer.

Het beroep van politieman of -vrouw is een bijzonder moeilijke job. En … de job wordt er mettertijd echt niet makkelijker op. Politiemensen worden dagelijks geconfronteerd met situaties op de werkvloer waarop verschillende soorten van handelen mogelijk zijn. Permanent moeten zij een beoordeling maken van de meest aangewezen manier om te interveniëren, in de concrete situaties waarmee ze geconfronteerd worden. Dat vergt een grote kennis. Zij moeten immers weten wat al dan niet wettelijk toegelaten is in de concrete omstandigheden. Maar dat is natuurlijk niet alles, dat is basiskennis. Zij moeten ook, binnen die wettelijke grenzen, een afweging kunnen maken omtrent de meest opportune manieren van handelen in concrete situaties. Het optreden moet immers ook in overeenstemming zijn met de ernst van de omstandigheden, moet met andere woorden behoorlijk en proportioneel zijn, kortom moet professioneel zijn. Hier gaat het over beoordelingsvermogen en attitude, niet louter over kennis.

Om over een dergelijk beoordelingsvermogen te beschikken moeten politiemensen een meer dan degelijke opleiding hebben. In het bijzonder moeten zeker Bijzondere Bijstandsteams (BTT’s) over een degelijke training in geweldsbeheersing beschikken. Dergelijke training bestaat dan niet uit het inhameren van standaardprocedures en -recepten, maar in het aanleren om de juiste vragen te stellen op het juiste moment. Het gaat met andere woorden om het aanleren van desescalatie, overleg en onderhandeling. Beter nog: het zoeken naar de weg van de minste weerstand, het maximaal vermijden van het aanwenden van politiegeweld. Dat is precies de reden waarom BBT’s bijzonder zouden moeten zijn. Zij moeten over een dergelijke attitude beschikken?

Dergelijk handelen staat in sommige situaties op gespannen voet met de bevelvoering van uitvoerende politiemensen in BBT’s. In extreme gevaarsituaties, waar het leven van gegijzelden of van de bevolking op het spel staat, moeten politiemensen snel en efficiënt handelen, desnoods met brutale geweldmiddelen. Dat is wellicht de minst aantrekkelijke kant van de job, maar is wel noodzakelijk als het er echt op aankomt. Maar ook dat vergt natuurlijk een afweging, met name moet steeds de vraag dienen gesteld te worden of het effectief gaat om een “extreme gevaarsituatie”. Ook dat dient aangeleerd tijdens een degelijke politieopleiding, zich dergelijke vragen te (durven) stellen.

Bevelen dienen slechts blind opgevolgd als de situatie ertoe noopt. Als dat niet het geval is, dan moeten frontlijnwerkers bij machte zijn om tijd te maken die vragen hardop te stellen, ook ten aanzien van de bevelvoerende(n), of dat nu gaat om de interne hiërarchie, dan wel om de magistratuur. Voorwaarde is natuurlijk dat die bevelvoerenden ook voldoende getraind zijn om op een dergelijke pertinente vraagstelling in te gaan en bereid zijn om de noodzakelijke afwegingen te maken. Het gaat met andere woorden om beleidsvoering op de werkvloer. Het gaat niet om ‘Befehl ist Befehl’, maar om betrokkenheid, nabijheid, en om steun vanwege de bevelvoering. Dat geldt in overtreffende trap voor Bijzondere Bijstandteams, zou ik zeggen.

Als er één ding is dat de zaak Jonathan Jacob ons leert is dat we nog een lange weg te gaan hebben vooraleer we beschikken over een dergelijke opleiding. Op 20 september 2012 stelde minister van Binnenlandse Zaken Milquet haar prioriteiten voor aan de pers met betrekking tot het politiebeleid voor de rest van de legislatuur. Het werd een lijstje met een 10-tal punten, waarvan er één betrekking had op de politieopleiding. Dit prioriteitenlijstje van minister Milquet vormde het kader waarbinnen commissaris-generaal Catherine De Bolle dezelfde dag haar opdrachtbrief formuleerde. De visie inzake opleiding was helder: meer kwaliteit leveren kan niet zonder personeel dat voldoende is opgeleid, competent is, respectvol is en gerespecteerd wordt. Tezelfdertijd namen de beleidsverantwoordelijken een aantal maatregelen om een grotere en snellere doorstroom van rekruten naar de politie mogelijk te maken. De politie wordt immers geplaagd door een structureel personeelstekort. Aan de ene kant wil men via een vernieuwd politieonderwijs het capaciteitstekort versneld aanvullen, aan de andere kant wil men de kwaliteit van datzelfde onderwijs omhoog. Beide doelstellingen zijn meer dan legitiem en noodzakelijk, maar staan wel op gespannen voet met elkaar. Men lijkt te opteren voor een politieonderwijs als een essentieel toeleveringsbedrijf, zonder daaraan de noodzakelijke kwaliteitsvereisten te verbinden.

Het politieonderwijs vandaag wordt in grote mate gedragen door een leger van goedwillende gastdocenten die een kleine fractie van hun werktijd besteden aan hun leeropdracht. Het is logisch dat met een dergelijk onoverzichtelijk docentenkorps systematisering van kennis moeilijk of niet kan worden gerealiseerd. De professionalisering van het docentenkorps lijkt me dan ook in eerste instantie het na te streven doel. Dat is de harde les die de zaak Jonathan Jacob ons leert. Dát is bouwen aan de toekomst. Het politieonderwijs moet beter, véél beter. Als we daarin lukken dan heeft de dood van Jonathan ten minste tot iets gediend.