Blog Paul Ponsaers

Hoe zit dat nu met de politieopleiding?

Op 20 september 2012 stelde minister van Binnenlandse Zaken Joëlle Milquet haar prioriteiten voor aan de pers met betrekking tot het politiebeleid voor de rest van de legislatuur. Het werd een lijstje met een 10-tal punten, waarvan er één betrekking had op de politieopleiding. Dit prioriteitenlijstje van minister Milquet vormde het kader waarbinnen commissaris-generaal Catherine De Bolle dezelfde dag haar opdrachtbrief formuleerde. Deze brief beschrijft de doelstellingen die de commissaris-generaal wenst te realiseren tijdens haar mandaat dat tot 28 februari 2017 loopt.

De visie inzake opleiding is helder: meer kwaliteit leveren kan niet zonder personeel dat voldoende is opgeleid, competent is, respectvol is en gerespecteerd wordt. Het hele traject van aanwerving, selectie, opleiding, loopbaanbegeleiding en leiderschapsontwikkeling moet beter op elkaar afgestemd worden. Dit laatste moet gerealiseerd worden tegen begin 2014, zo affirmeren de beleidsverantwoordelijken.

Zij formuleerden bij deze gelegenheid een aantal speerpunten inzake het politieonderwijs. Een aantal van deze punten beogen een grotere en snellere doorstroom van rekruten naar de politie. De politie wordt immers geplaagd door een structureel personeelstekort, onder druk van het stijgend aantal pensioneringen en ten gevolge van het onaangepaste rekruteringsbeleid van de jongste jaren. De babyboom generatie die in de jaren 70 en 80 aan een loopbaan begon bij de politie blijkt vandaag massaal op pensioen te gaan, terwijl de instroom de personeelstekorten niet compenseren, integendeel. Het aanwervingsquotum wordt opgetrokken tot 1.400 eenheden, waardoor dit jaar 400 extra aspiranten zullen opgeleid worden.

In deze personeelsconjunctuur voorzien de beleidsverantwoordelijken in een aantal maatregelen die de groeiende personeelsbehoeften dienen invulling te geven.

(1) Zo noemden zij het opzetten van een beter begeleid en versneld selectieproces van de kandidaten die de opleiding wensen aan te vangen (van 9 à 12 maanden naar 6 maanden). Vandaag varieert het slaagpercentage van 10 tot 16 procent, hetgeen extreem laag kan genoemd worden. Een betere begeleiding moet dit percentage kunnen doen toenemen.

(2) Verder willen zij garanderen dat kandidaten van lokale politiezones en federale diensten van bij de start van hun basisopleiding weten dat ze bij hun uitzendende eenheid aan de slag zullen gaan, en niet langer ná hun opleiding. Op die manier moet het mogelijk zijn dat diensten met een personeelstekort kunnen rekenen op een snellere versterking.

(3) Overigens zullen meerdere opleidingssessies per jaar worden ontwikkeld, zodat zones makkelijker hun kandidaten naar voor kunnen schuiven.

(4) De overigen komen dan terecht in een reserve, die aangelegd wordt voor de duur van drie jaar.

(5) Een aantal ondersteunende maatregelen zullen worden genomen om de instroom van politiemensen in de zones te verhogen. Zo zal de sociale promotie worden aangemoedigd van agenten naar het inspecteurskader.

(6) Bijkomende maatregelen zullen ook genomen worden om het middenkader (hoofdinspecteurs) te versterken, ondermeer door de politiescholen in te zetten bij de voorbereiding op de selectieproeven en het uittekenen van een versnelde toegang van houders van een bachelor of masterdiploma.

Naast al deze personeelsmatige maatregelen kondigde minister ook de verbetering van de kwaliteit van de politieopleiding en de controle erop aan, onder impuls van het project “De politie, een lerende organisatie”. In dat kader werden in het verleden visitaties uitgevoerd bij de 10 politiescholen, hetgeen toch wel een overwegend zorgwekkend bilan opleverde. Naar aanleiding daarvan moedigt de CG de provinciale scholen uit om de aanbevelingen uit het visitatierapport te integreren in hun werking, met startsein op september 2012.

 

“De politie, een lerende organisatie”

Het project “De politie, een lerende organisatie” beoogt een vernieuwing van het politieonderwijs waarbij de opleiding tot inspecteur, hoofdinspecteur en commissaris van politie omgebouwd wordt naar (1) een hogere beroepsopleiding (HBO5)[1], (2) een (professionele) bachelor in de politiekunde[2] en (3) een master in de politiestudies[3], conform de richtlijnen van het hoger Europees onderwijssysteem (Bologna en Kopenhagen). Om het kernachtig uit te drukken: beoogd wordt dat politiestudenten niet langer een certificaat krijgen uitgereikt op het einde van hun studies, maar een volwaardig (gehomologeerd) diploma. Hiertoe zullen voor elke opleiding een aantal competenties dienen ontwikkeld te worden[4].

Daarom moet elke opleiding beschikken over een opleidingsprofiel, een geordende opsomming van de specifieke basiscompetenties die binnen een opleiding dienen verworven te worden. Zo’n opleidingsprofiel voor de politie bestaat uit één of meerdere beroepscompetenties, deze competenties die iemand nodig heeft om op de arbeidsmarkt een het beroep van politieman/vrouw te kunnen uitoefenen, en één of meerdere generieke competenties, met name deze competenties waarover iedereen van dat opleidingsniveau moet beschikken, ook wel niveaudescriptoren genoemd.

Ook kondigde de minister een proefproject aan in de Antwerpse politieschool. In dit project zal een nieuwe basisopleiding voor inspecteurs worden uitgetest. De huidige opleiding van twaalf maanden zal alvast op achttien maanden worden gebracht.

Het is erg nodig dat de beleidsverantwoordelijken het politieonderwijs aanpakken. Al te lang is dit onderdeel van de politie onder het stof geraakt ten gevolge van het hervormingsgedruis. Het siert de beleidsverantwoordelijken dat zij deze sector krachtdadig wensen te herstructureren. Niettemin valt het op dat sommige van de voorgestelde maatregelen op gespannen voet met elkaar staan.

 

Capaciteit én kwaliteit opkrikken?

Aan de ene kant wil men via het onderwijs het capaciteitstekort versneld aanvullen, aan de andere kant wil men de kwaliteit van datzelfde onderwijs omhoog. Beide doelstellingen zijn meer dan legitiem en noodzakelijk, maar dat neemt niet weg dat terzelfdertijd het versnellen van de selectieprocedure en het garanderen van een grotere instroom van rekruten bij vragende korpsen op het eerste gezicht niet meteen verenigbaar is met het optrekken van de studieduur vanuit kwaliteitsoogpunt (van 1 jaar tot 1,5 jaar), weze het dat het bijkomende half jaar in grote mate zal bestaan uit bijkomende stage-uren in de uitzendende eenheid of korps.

Het eindoordeel over de vraag of de betrokken aspirant al dan niet geschikt is zal dan gebeuren na de stage, door het betrokken korps en de politieschool samen. Voor het overige zal de aspirant examen afleggen na elk blok en niet kunnen verder gaan zonder geslaagd te zijn voor dat blok. Het eerste blok zal 14 weken omvatten en is gericht op kennisverwerving met inbegrip van de praktijktoepassing ervan op de politieschool. Het tweede en derde blok zullen respectievelijk een tiental weken en veertien weken omvatten. Telkens is een examen voorzien en ze zijn gericht op de verschillende basisfunctionaliteiten. Hier wordt voorzien in een alternerend systeem van leren op de politieschool en leren op het werkveld. Voorlopig wordt gedacht aan drie dagen in de politieschool en twee dagen op een werkplek.
Op het eerste gezicht lijkt dit een goed afgewogen plan. Ik kan me echter niet van de indruk ontdoen dat hiermee opnieuw een spanningsveld ontstaat. Het is immers duidelijk dat het kwaliteitstekort in de huidige opleidingen niet of onvoldoende geremediëerd wordt met het bijkomend inspuiten van praktijk in de opleiding. Het grote manco is immers een tekort aan kennis en inzicht in handelingsmodaliteiten die theoriegedreven zijn.

Onderzoek[5] wijst immers uit dat er al teveel onzekerheden en aarzelingen leven in de schoot van de politiekorpsen in ons land omtrent de aangewezen wijze van handelen in bepaalde omstandigheden. Afstemming op de huidige politiepraktijk kan enkel maar deze onzekerheden en aarzelingen in stand houden. Het steeds weer herhaalde typevoorbeeld in dit verband is het gebrek aan kennis omtrent het strafrecht en het verbaliseringsgedrag dat hieruit voort vloeit. Vandaag zijn er tegengestelde praktijken gangbaar in de schoot van diverse korpsen en bestaat al te weinig duidelijkheid omtrent de gewenste keuzes. Een dergelijke relatief onduidelijke praktijk los je natuurlijk niet op door de bestaande praktijk door te geven, maar door tijdens het onderwijs kennis en vaardigheden aan te leren die afgestemd zijn op beoogde en gevalideerde handelingsmodaliteiten die voortvloeien uit de theoretische kaders die de praktijk dienen te omgeven.

 

Nood aan systematisering en validering van kennis

Vandaag beschikt het politieonderwijs niet over mechanismen die dergelijke gesystematiseerde kennis samenbrengt. Ik denk hierbij aan het redigeren van goed doordachte syllabi die afgetoetst zijn bij experten en dienstenafnemers, aan het onderling afstemmen van vakinhouden die gedoceerd worden in diverse opleidingsonderdelen, het afchecken of al dan niet de gedoceerde vakken geen blinde vlekken vertonen, e.d.m.

Het politieonderwijs vandaag wordt in grote mate gedragen door een leger van goedwillende gastdocenten die een kleine fractie van hun werktijd besteden aan hun leeropdracht. Het is logisch dat met een dergelijk onoverzichtelijk docentenkorps systematisering van kennis moeilijk of niet kan worden gerealiseerd. De professionalisering van het docentenkorps lijkt me dan ook in eerste instantie het na te streven doel.

De beschikbare plannen behelzen een helder opleidingsprofiel, met andere woorden die competenties waarover een afgestudeerd rekruut dient te beschikken. Een dergelijk profiel is inderdaad erg noodzakelijk en kan niet anders dan het formuleren van een programma voorafgaan. Voorlopig ontvingen de politiescholen evenwel niet een dergelijk profiel. Ook dit leeft op gespannen voet met de aanmoediging vanwege de beleidsmakers om de aanbevelingen uit het visitatierapport te integreren in hun werking vanaf september 2012. Op deze wijze lijken de inspanningen van de politieacademies bij voorbaat gehypothekeerd. Er bestaan wel draftversies van competentieprofielen voor HBO5, bachelor en master, maar deze blijken alsnog niet gevalideerd. Hoe een koers uit te zetten, als niet duidelijk is wat de eindbestemming is en er een kompas ontbreekt?

Hierdoor ontstaat de indruk dat het vergroten van de instroom van afgestudeerden in de politie voorop staat en het kwaliteitsaspect hiervoor de duimen moet leggen. Men lijkt te opteren voor een politieonderwijs als een essentieel toeleveringsbedrijf, zonder daaraan de noodzakelijke kwaliteitsvereisten te verbinden. Zo staat bijvoorbeeld het inplannen van meerdere opleidingssessies per jaar op gespannen voet met het kwaliteitsdenken dat enkele jaren geleden de beleidsmakers ertoe bracht één sessie per academiejaar te organiseren, zodat een betere afstemming mogelijk werd met het regulier onderwijs. Ook blijft onduidelijk hoe houders van een bachelor- of masterdiploma versneld toegang kunnen krijgen tot de politieopleiding.

De voorop gestelde doelstellingen van het project “De politie, een lerende organisatie” lijken wat ondergesneeuwd te raken in een race naar meer politiemensen, zonder dat hardop de vraag gesteld wordt over welke politiemensen het dan in feite moet gaan.


[1] HBO5 Politie (90 à 120 credits – 1,5 of 2 jaar opleiding) Is een beroepsopleiding waarin de nadruk ligt op het aanleren van de beroepsspecifieke competenties (kennis, vaardigheden en attitude).

[2] Bachelor in de politiekunde (180 credits – 3 jaar opleiding) Is een beroepsopleiding waarin de nadruk ligt op het aanleren van beroepsspecifieke competenties, maar waar ook generieke competenties worden aangeleerd.

[3] Master in de politiewetenschap (120 credits – 2 jaar opleiding) Is een academische opleiding waarin de nadruk ligt op het aanleren van generieke competenties en minder aandacht wordt besteed aan de beroepsspecifieke competenties. In de toelatingsvoorwaarden wordt evenwel een zekere graad van beroepsspecifieke competenties verwacht.

[4] Een geheel van kennis, vaardigheden en attitudes die nodig zijn om een bepaalde job/beroep uit te oefenen.

[5] Doctoraal proefschrift in de Criminologische Wetenschappen van Fien Gilleir “De discretionaire ruimte bij uitvoerende politieambtenaren. Gevalstudie van het beslissingsproces over vrijheidsberoving” (UGent), verdedigd op 28 september 2012. Promotor Prof. dr. P. Ponsaers, Co-promotor Prof. dr. M. Easton.