Blog Paul Ponsaers

De politie, nog altijd uw vriend?

ma 07/12/2015 - 13:37 Paul Ponsaers De aanslagen in Parijs hebben gevolgen voor onze politiediensten. Blijft het de agent in de straat of wordt het de agent met een wapen? Tussen woord en daad groeit een onoverbrugbare spagaat.

De gebeurtenissen in Paris op 13 november 2015 hebben Europa grondig door elkaar geschud. Het ging dan ook om een ronduit weerzinwekkende reeks van aanslagen. De noodtoestand werd in Frankrijk afgekondigd en de Franse regering reageerde met fors militair geweld tegen IS. In de nasleep hiervan kwam ons land in toenemende mate in het vizier van internationale waarnemers, die wezen op Sint-Jans-Molenbeek als broeinest van de internationale terreur. Op advies van OCAD verhoogde de regering het dreigingsniveau naar het hoogst denkbare.

Het leger verscheen in het straatbeeld, grootschalige huiszoekingen vonden plaats, anti-terreur maatregelen werden voorgesteld, de herstructurering van de Brusselse zonale politie kwam ter sprake, de verbreding van de inzet van de private veiligheidssector verscheen op de agenda, en nog veel meer.

Politie in de buurt?

Reeds lang voor de Parijse hel van 13 november 2015 echter was evenwel al duidelijk dat de besparingspolitiek van de Belgische overheid gestaag invrat op de filosofie die ten grondslag lag van het Belgische politiebestel dat in 2001 werd ingevoerd ter gelegenheid van de politiehervorming, met name de gemeenschapsgerichte politie of ‘Community Policing’ (COP). Sindsdien is de spagaat tussen de voorgestane politievisie enerzijds en de politiepraktijk ‘in actie’ anderzijds enkel maar vergroot. Dit leidt mijns inziens tot een feitelijke versmalling van het mandaat van de politie. De inzet van “Community Officers”, die binnen de lokale politiekorpsen belast zijn met het buurtgerichte werk, komt op te helling te staan.

Naar aanleiding van de implementatie van de hervormde Belgische politie in 2001 werd geopteerd voor een gemeenschapsgerichte politie of ‘Community Policing’ (COP). Sindsdien vormt dat gedachtegoed de leidraad voor het politieel handelen in ons land. Tenminste, dat is de officiële zienswijze die nog steeds met de mond wordt beleden van beleidszijde.

In essentie is de rode draad doorheen deze COP-visie dat politie een breed maatschappelijk mandaat dient op te nemen, die haar legitimiteit ontleent aan de instemming van de bevolking. COP is wezenlijk een instemmingsmodel, een “consent”-model. In deze zienswijze werkt de politie in en ten dienste van de gemeenschap, is maatschappelijk betrokken en is gericht op de bevordering van de veiligheid en het welzijn van de bevolking.

De bakermat van het “consent” model is het Verenigd Koninkrijk. Het centrum van dit denken is het voorkomen van misdrijven en het bewaren van de vrede door een constante en zichtbare aanwezigheid op straat van geüniformeerde, in principe ongewapende politiemensen. De politie wordt in een dergelijke zienswijze één van de partners in het brede maatschappelijke middenveld die de oorzaken van criminaliteit, onrust en sociale wanorde trachten te beheersen. COP houdt dan ook een essentiële preventieve opdracht in : het voorkomen dat er zich problemen verdichten in bepaalde groepen of op specifieke plaatsen, en de ambitie om bij te dragen aan het terugdringen van de oorzaken ervan.

Radicalisering?

Dat betekent dat, daar waar het gaat om radicalisering van jongeren, de voedingsbodem van die radicalisering wordt tegengegaan. Heel concreet komt dat neer op het verschaffen van tewerkstelling, van degelijk onderwijs en sociale huisvesting, van bijstand en zorg. Uiteraard is dat niet de uitsluitende opdracht van de politie, maar is dat een gemeenschappelijke opdracht van de publieke overheid, tot op grote hoogte van het lokaal gemeentelijk beleid. Buurthuizen, straathoekwerkers, opvoeders, inburgerings- en hulpverleningscentra en vele anderen dragen daartoe bij, samen met allerhande gemeentelijke diensten.

De politie moet er dan op toekijken dat er geen breuken ontstaan in de maatschappelijke textuur, dat ieders rechten worden gewaarborgd, dat geen spanningen of kortsluitingen ontstaan, enz. Doorheen de jaren heen zijn we deze aanpak een ‘integrale veiligheidsaanpak’ beginnen te noemen. Politie is niet langer dus louter een organisatie, maar een werkwoord, met name ‘policing’.

Het lijkt er fel op dat we in ons land op een turbulent keerpunt zijn gekomen. Er lijkt een groeiende kloof te ontstaan tussen de visie op het politiewerk, die officieel wordt omarmd en bij herhaling is neergelegd in visiedocumenten, en de concrete politiepraktijk. Er is een grote kloof tussen wat er wordt gezegd en wat er feitelijk gebeurt. Terwijl de politie-organisatie in grote mate blijft vasthouden aan een maatschappelijk geïntegreerde politie, gebaseerd op een “consent” model (instemming), sluipt het “control” model (beheersing) de politieke besluitvorming binnen, met nadruk op misdaadbestrijding en handhaving van de openbare orde (Law & Order Police) en een politie die op grotere afstand komt te staan van het publiek. Kortom: de politie prefereert het “consent” model, maar krijgt sluipenderwijs het “control” model.

Centralisering en schaalvergroting

Een dergelijk “control” model grijpt in grote mate terug naar een verouderde Napoleontische opvatting over politie, waarin het politieel optreden sterk centralistisch wordt opgevat en waardoor in een stad als Parijs vandaag nog steeds de Nationale Politie de plak zwaait, zonder enige aansluiting met het stedelijk beleid van de metropool. De gevolgen daarvan hebben we kunnen merken in 2005 ter gelegenheid van het fel bekritiseerde optreden van deze politie in de Parijse banlieus. Eén ding is zeker: de Fransen hebben ons weinig te leren op dit vlak.

In diverse Europese landen doet zich momenteel een centralisering, tot zelfs nationalisering, van het politiebestel voor. Dat is bijvoorbeeld het geval in Nederland geweest, met het recente aftreden van korpschef Gerard Bouman en het publiek failliet van het nieuwe nationaal bestel. De nationalisering werd gepresenteerd als de mirakeloplossing voor alle problemen van de Nederlandse politie, terwijl meteen het “consent” model in de verdediging werd geduwd, ten voordele van een oprukkend “control” model.

Maar we zien gelijkaardige bewegingen ook bijvoorbeeld in Schotland, waar de federalisering van het V.K. ondermeer van politieke zijde werd bevochten middels de eenmaking van het bestel binnen een Nationale Politie; of in het Spaanse Catalonië, waar het referendum ten voordele van onafhankelijkheid werd vooraf gegaan door het op de been brengen van een eigen, Catalaanse politie, de Mossos d’Esquadra.

Zo’n vaart loopt het alsnog niet in ons land. Voorlopig is er een relatief grote consensus omtrent de handhaving van het Belgisch bestel, gesteund op twee pijlers, met name een federale politie en lokale zonale korpsen. Wat we vandaag wel merken is dat enerzijds de zogenaamde ‘optimalisering’ van de federale politie moeilijk, zoniet slecht, verteerd raakt intern, terwijl anderzijds de lokale politiezones aangemoedigd worden grotere entiteiten te vormen op vrijwillige basis, onder druk van de besparingslogica.

Wat in Brussel?

De grondgedachte bij de hervorming van 2001 was in grote mate de politiële werking nauw te laten aansluiten op het gemeentelijke beleid, zodat precies hogergenoemd ‘integraal veiligheidsbeleid’ reële kansen kreeg. Dat vandaag een tendens tot opschaling van politiezones ontstaat is begrijpelijk, doch niet noodzakelijk steeds wenselijk. In de mate dat politiezones verder weg komen te staan van het gemeentelijk integraal veiligheidsbeleid worden immers de kansen op een gemeenschapsgerichte politie immers kleiner.

Het hernemen van het oude voorstel van samensmelting van de zes politiezones van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is op zich best verdedigbaar, en mijns inziens zelfs noodzakelijk, indien dit echter ook leidt tot de samenvoeging van de 19 Brusselse gemeenten tot één bestuursniveau, of één stedelijk gebied. Het is slechts op deze manier dat een ‘integraal veiligheidsbeleid’ ook in Brussel vorm kan gegeven worden. De Europese realiteit leert ons dat metropolen best worden voorzien van robuuste korpsen (denk maar aan de London Metropolitan Police), die onder de supervisie van één burgemeester functioneren, precies met het oog op het garanderen van een goede aansluiting op het globaal stedelijk beleid. Denk hierbij aan Berlijn, waar de premier van de Berlijnse deelstaat meteen ook fungeert als burgemeester van de stad en in grote mate grip heeft op het korps dat actief is op het metropolitaan grondgebied.

Het creëren van één Brusselse politiezone, zonder te raken aan de 19 afzonderlijke gemeenten, kan echter enkel maar tot een grotere afstand tussen het bestuur en de politie leiden en meteen leiden tot minder gemeenschapsgerichtheid.

Besparingen in scholen, jeugwerking, buurthuizen ...

Het grootste probleem ligt evenwel niet in de tendens tot schaalvergroting van de politie. Het meest schrijnende probleem ligt in het feit dat de overheid in toenemende mate, in de huidige tijden van schaarste, in toenemende mate besparingen doorvoert binnen het ruime veld van sociale voorzieningen en de welvaartsstaat uitholt, alle programma’s gericht op sociale rechtvaardigheid en cohesie ten spijt. Hierdoor komt de gemeenschapsgerichte politie in grote mate onder druk te staan.

Partnerships met scholen, jeugdwerkers, buurthuizen e.d.m. worden herleid tot pure symbolische retoriek als dat maatschappelijk middenveld geen financiële ademruimte meer heeft. Of, hoe de politietaak in toenemende wordt versmald tot het bestrijden van symptomen bij gebrek aan voldoende middelen om haar medewerking te verlenen aan een reëel stedelijk project.

Versterkte focus op misdaadbestrijding

Reeds in 2010 leverde onze onderzoeksgroep (UGent) een studie af, onder de titel ‘Preventie van radicalisering in België’, waarin deze lijn werd aangehouden en waaruit tal van beleidsaanbevelingen voortvloeiden, gericht op het versterken van de banden met het maatschappelijk middenveld. We hebben moeten vaststellen dat veel te laat en veel te weinig doortastend beleid werd ontwikkeld op deze lijn. Het resultaat is dat vele jaren lang in sommige buurten in het Brusselse de kanker van de radicalisering kon voortwoekeren, zonder dat werd doorgepakt naar de wortels van het kwaad.

Vandaag zien we dat de overheid in haar terreurkoorts ten gevolge van de gebeurtenissen in Parijs blind allerhande maatregelen ontwikkelt, die vooral gericht zijn op de ontwikkeling van het repressieve luik van de terreurbestrijding en het preventieve luik ongemoeid wordt gelaten. Zo is er sprake van de ontwikkeling van een database voor terugkeerders uit Syrië, terwijl we hadden moeten voorkomen dat jongeren naar Syrië vertrokken dankzij de alertheid en ondersteuning van leerkrachten en ouders. We zetten militairen in bij bewakingsopdrachten in de publieke ruimte om de politie te ontlasten, terwijl we de politie hadden moeten versterken in haar preventieve opdracht vóórdat het kwaad was geschied. We breiden de lijst van terroristische misdrijven uit, voeren bijzondere opsporings- en informatietechnieken in bij antiterreuroperaties, verruimen het inzetten van afluisterapparatuur, en dergelijke meer. Allemaal maatregelen die gesteund zijn op het blinde geloof in de afschrikkende kracht van opsporing en sanctie tegen reeds geradicaliseerde jongeren die zonder angst hun bomgordel tot ontploffing brengen. Wat zouden ze vrezen voor sancties? Zowat alle experts zijn het in deze materie erover eens dat enkel preventie werkzaam kan zijn en de regering kijk zonder enige schroom de andere richting uit.

Het is mijn overtuiging deze evoluties het gevolg zijn van de beleidsopvattingen die politici hebben over de ware aard van het politiewerk, met name misdaadbestrijding. Het blijkt een opvatting die vooral in tijden van economische schaarste een grote aantrekkingskracht heeft. Nochtans weten we dat de invloed van politie op criminaliteit zeer beperkt is. Dat is eenvoudigweg omdat de oorzaken van criminaliteit zich buiten de invloedssfeer van de politie bevinden. Een gemeenschapsgerichte politie vervult erg veel taken, zoals het handhaven van de vrede of sociale taken, die meestal niets van doen hebben met misdaad. Het brengt de politie veelvuldig in contact met kwetsbare personen in de samenleving. Een overdadig accent op de misdaadbestrijding vervreemdt de politie van de bevolking. Dit is nadrukkelijk een breuk met hoe de Belgische politie zich na de hervorming heeft ontwikkeld.

Nood aan een breed maatschappelijk debat

Het ontbreekt aan een politiek en maatschappelijk debat over de geschetste evolutie van een “consent” naar een “control” model. Er wordt gevraagd om meer middelen voor veiligheid, zonder dat ook maar iemand blijk geeft na te denken over wat aan veiligheid bijdraagt en welke rol de politie daarin speelt. Ondertussen is de politie geleidelijk op weg een organisatie te worden die slechts taken uitvoert en vooral tegenover de burgers staat. Wie heeft op welk moment besloten dat we die kant op willen, zo vraag ik me af.

Veel van wat de politie nu doet, zal terecht komen bij toezicht en handhaving - en andere sociale functies - van de gemeenten. Dat is een onverstandige keuze. Gezien wat er allemaal op onze samenleving afkomt, is een politie op afstand van de bevolking een slecht idee. Wat echter volstrekt niet acceptabel is, is dat er een fundamenteel andere politie ontstaat zonder voorafgaand politiek en maatschappelijk debat.

http://deredactie.be/cm/vrtnieuws/opinieblog/opinie/1.2517293