Blog Paul Ponsaers

Radicalisering : Klikken of empowerment? - Mei 2012

De Belgische regering verklaart (opnieuw) de oorlog tegen radicalisering, zo lezen we begin april 2012 in de kranten. Aan welke concrete maatregelen vandaag wordt gedacht wil de regering niet zo meteen bekendmaken. Het is niet voor het eerst dat de Belgische regering de jacht op radicale ideeën open verklaart. Anderhalf jaar geleden riep toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Annemie Turtelboom scholen en verenigingen op om in te grijpen als jongeren dreigden te radicaliseren. Het voornemen leek netjes opgeborgen, en nu lijkt het terug van nooit echt weg geweest.

 

Merkwaardig. In 2010 leverden we met enkele collega’s een rapport af omtrent preventie van radicalisering, Dat we in opdracht van het departement Binnenlandse Zaken maakten1. We voerden ons onderzoek op basis van een hele reeks interviews met bevoorrechte getuigen uit erg diverse settings, een aantal beschikbare dossiers/biografieen en buitenlandse onderzoeksrapporten. Toen concludeerden we dat er inderdaad nood was aan een preventieprogramma inzake radicalisering. Het ging om een programma dat zich richtte tot het sociaal middenveld, en dat erop gericht was jeugdwerkers, leraars, straathoekwerkers, ouders, e.d.m. te wapenen met gepaste informatie om radicaliseringstendenzen bij jongeren te onderkennen en er gepast op te reageren. Toen ons gevraagd werd om deze conclusie institutioneel te vertalen hebben we overigens een lans gebroken om een kennis- en adviescentrum op te zetten, dat we uitdrukkelijk situeerden in een universitaire setting, met goede banden met het vormingswerk. Uitdrukkelijk dus niet in de één of andere overheidscontext.

 

Het ging ons dus uitdrukkelijk niet om het opzetten van een soort van “kliklijn” naar de politionele of inlichtingendiensten, maar om empowerment van het middenveld. Dat de repressieve diensten werken op terreurbestrijding lijkt me logisch, noodzakelijk en evident. Maar het wegnemen van het noodzakelijk waterdicht beschot tussen enerzijds een preventief dispositief, dat voorzichtig en bedachtzaam tracht om jongeren (die zichtbaar verward zijn en wiens gedrag plots doorschiet) terug aansluiting te laten krijgen met hun leefomgeving, en anderzijds het opzetten van een doorgeefluik naar de gespecialiseeerde repressieve politionele en justitiële terreurbestrijding was niet onze bedoeling, integendeel. Beide benaderingen zijn noodzakelijk, maar kunnen onmogelijk probleemloos in elkaars verlengde worden gelegd.

 

De regering liet het er echter even bij, wellicht omdat de regeringsvorming veel meer voeten in de aarde had dan toen kon vermoed worden. Aan welke concrete maatregelen vandaag wordt gedacht, wil de regering voorlopig evenwel niet bekendmaken. Behalve dan dat ze tegen 'alle vormen van radicalisering' gericht zullen zijn. Collega Rik Coolsaet (politicoloog) waarschuwt in De Morgen van 31 maart 2012 terecht tegen het feit dat niet elke radicale gedachte leidt tot een terreurdaad, en wijst erop dat een gezonde samenleving nood heeft aan verontwaardiging en radicale gedachten op het moment dat de sociale rechtvaardigheid wordt geschaad. We hebben inderdaad echt geen nood aan een gedachtepolitie. Hij herinnert eraan dat België sinds de jaren tachtig zich juist van haar buurlanden onderscheiden heeft in deze problematiek door haar expliciete en systematische nadruk op het respect voor en de bescherming van de democratische vrijheden. Die Belgische aanpak mogen we niet zomaar overboord gooien, dixit Coolsaet. En gelijk heeft hij, ongetwijfeld. Het bracht België ertoe om de Amerikaanse aanpak om verdachten in het geheim uit Europa te ontvoeren, radicaal te veroordelen.

 

Dat mag ons evenwel niet doen denken dat er geen probleem is. Coolsaet mag er dan al op wijzen dat het jihaditerrorisme afklaft en het einde ervan in zicht is, dat betekent mijns inziens niet dat er geen nieuwe problemen de kop zouden opsteken. De spectaculaire aanslagen door Al-Qaida hebben het voorbije decenium de aandacht afgeleid van het groeiend gevaar dat in Europa uitgaat van extreemrechtse individuen en groepen.

 

Er was het Breivik-drama in Noorwegen in juli 2011, onder de vorm van twee aanslagen: eerst de ontploffing van een autobom bij een regeringsgebouw in Oslo, waarbij 8 doden vielen. Daarna begaf hij zich naar het eilandje Utøya, waar hij 69 deelnemers aan een jeugdkamp van de Noorse Arbeiderspartij doodschoot. Duitsland reageerde eind vorig jaar nog geschokt op de onthullingen over enkele extreemrechtse terroristen die jarenlang ongestoord konden moorden, aanslagen plegen en banken beroven, terwijl ze minstens tien slachtoffers en vele gewonden maakten. De afgelopen maanden is bij de Noord Hollandse rechts-extremistische groep Ulfhednar / Vanguard een arsenaal aan wapens aangetroffen. En in december van vorig jaar schoot een rechtsextremist twee Senegalese straatverkopers neer in Firenze. Om maar te zwijgen over Hans Van Themsche, die op 11 mei 2006 in Antwerpen op straat twee personen neerschoot.

 

Tore Bjorgo deed onderzoek naar gewelddadig rechts-extremisme. Daaruit bleek dat alle vormen van extreemrechts geweld voorkwamen, gaande van belediging tot moord, van bedreigingen tot schietpartijen, van straatgeweld tot brandstichting, van uitschelden tot fysiek geweld. Ik blijf geloven dat een evenwichtig preventief beleid inzake radicalisering, dat zich ent op het maatschappelijk middenveld, nuttig is om dit soort van home-based terrorisme te voorkomen. Dat hoeft niet noodzakelijk te leiden tot de inrichting van een gedachtepolitie. Maar niets doen en wachten tot de extreemrechtse bui overwaait is zonder enige twijfel al te naïef.

 

1 NOPPE, J., PONSAERS, P., VERHAGE, A., DE RUYVER, B., EASTON, M., mmv. HELLINCKX, J., VAN DE VELDE, M., Preventie van radicalisering in België, Governance of Security Research Report Series, Maklu, Antwerpen-Apeldoorn, 185 pp. (ISBN 978-90-466-0401-4).