Blog Paul Ponsaers

De politie is er vooral voor de vorm en dat is maar goed...

Lees op De Correspondent het artikel van Bart de Koning De politie is er vooral voor de vorm (en dat is maar goed ook) - 17/04/2015

 

De ‘meten-is-wetencultuur’ bij de politie leidt tot schijnexactheid, veroorzaakt veel onnodige bureaucratie en zorgt voor perverse effecten. Het zorgt ervoor dat de politie achter makkelijke doelen aangaat en precies rapporteert wat de minister wil horen. Hoe kunnen we de prestaties van de politie intelligenter meten?

In mijn vorig stuk liet ik zien hoe de politie met cijfers goochelt om succesverhalen te kunnen vertellen. Als je beter naar die cijfers kijkt, zie je dat acht van de tien misdrijven nooit wordt opgelost. Dat we het stukken minder goed doen dan onze buurlanden. En dat het in de loop der jaren niet beter, maar slechter gaat met onze ophelderingspercentages.

Het stuk wist een snaar te raken en leverde goede kritiek op. Neem die van Marnix Eysink Smeets, lector Veiligheidsbeleving bij Hogeschool InHolland: ‘We moeten minder op cijfers sturen en meer op kwalitatieve informatie.'

Hij stelde dat simpele statistieken de politieprestaties geen recht doen. Het voortdurend hameren op targets van de Nederlandse politie kan er ook toe leiden dat politiekorpsen gaan rotzooien met de cijfers.

Waar dat toe kan leiden wordt zichtbaar in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, waar datamanipulatie de geloofwaardigheid van de politie ernstig heeft ondergraven.

Door zelf zo op de cijfers te hameren, maakte ik me volgens mijn criticaster schuldig aan het fenomeen dat ik juist aan de kaak wilde stellen. De hamvraag bleef bovendien onbeantwoord: waartoe is de politie eigenlijk op aarde? En hoe meet je dat dan?

Voer voor een volgend stuk, kortom. Ik sprak met verschillende hooggeplaatsten in de politie, las stapels rapporten en luisterde naar een leger aan experts.

 

Als je kwantiteit meet, sneeuwt de kwaliteit onder 

Als eerste: hoe meetbaar zijn de prestaties van de politie eigenlijk? Politieprofessor Bob Hoogenboom veegt er in een recent artikel de vloer mee aan. De cijfers zijn onbetrouwbaar en bieden schijnexactheid.

Bovendien maken ze kwaliteit ondergeschikt aan kwantiteit. De politie stuurt, om de aantallen maar te halen, dossiers die kwalitatief onder de maat zijn naar het Openbaar Ministerie. Op papier wordt de politie dan productiever, maar omdat de dossiers zo slecht onderbouwd zijn, moet het OM veel zaken seponeren. Het resultaat: minder gestrafte verdachten.

Voormalig rechercheur Michiel Princen kan erover meepraten. In een van zijn laatste jaren bij de Amsterdamse recherche, maakte hij mee dat de chef aankondigde dat direct álle telefoontaps eraf moesten. ‘De afdeling had haar overwerkbudget voor het jaar overschreden en ongeacht de stand in elk onderzoek, moesten alle stekkers eruit.'

Iedereen was met stomheid geslagen. Het was alsof de chirurgen tijdens een operatie de kamer uitliepen, terwijl er nog iemand op de operatietafel lag.’ De suggestie van de rechercheurs om de gemaakte overuren dan te schrijven als reguliere uren, werd afgeslagen.

De misdaad is georganiseerd, nu de politie nog, schreef een gefrustreerde collega op een whiteboard. Een van de teams had al maandenlang tassen met crimineel geld onderschept. Omdat ze naar huis moesten, liepen ze een overdracht van enkele miljoenen euro’s mis, schrijft Princen: ‘Met een avondje 'doorhalen' hadden de collega’s het hele jaarbudget én het overwerkbudget van een complete rechercheafdeling voor de staat kunnen terugverdienen.’

Het is een extreem voorbeeld van waar de bureaucratische ‘meten-is-weten’-cultuur toe kan leiden: een organisatie die volledig gericht is op het behalen van targets en doelstellingen waarbij het zicht op het grotere geheel, én op kwaliteit, vakmanschap en beroepseer, verloren gaat.

Terwijl: misdaadbestrijding is maar 10 procent van het werk

De kern van het probleem is volgens Hoogenboom in twee mythes te vatten. De eerste mythe is dat de politie vooral bezig is met misdaadbestrijding. Mythe twee is dat het strafrecht daarvoor een effectief middel is. Vijftig jaar (inter)nationaal politieonderzoek heeft aangetoond dat het merendeel van het politiewerk te maken heeft met zichtbare aanwezigheid, openbare orde-verstoringen en hulpverlening.

Een enorme bibliotheek aan onderzoek laat zien dat de invloed van de politie op het misdaadpeil minimaal is. In Nederland lost de politie nog niet één procent van alle gepleegde misdrijven op, zo schatte de Stichting Maatschappij en Politie al in de jaren negentig. Zoals de befaamde Amerikaanse politiewetenschapper David Bayley het stelt: ‘The police do not prevent crime.' Agenten op straat besteden hoogstens tien procent van hun tijd aan misdaadbestrijding.

 

De politie heeft vooral een symbolische functie

Feitelijk komt het merendeel van politiewerk neer op aanwezigheid, aanwijzingen geven, praten, dreigen en begeleiden. Dat is een onvoorstelbaar belangrijke taak. Denk maar aan alle verwarde mensen die nu wegens de bezuinigingen in de (geestelijke) gezondheidzorg op straat lopen. Als er iemand doordraait en hulpverleners geen sjoege geven, dan komt de politie. Vorig jaar moest de politie er 60.000 keer op af, een stijging van bijna 50 procent in vier jaar.

'Een vrije samenleving brengt nu eenmaal risico’s met zich mee. Je moet het natuurlijk niet nodeloos vergroten, maar je kan het ook niet echt verkleinen'

‘Alle grote auteurs benadrukken vooral de symbolische functie van de politie, dat ze de belofte van misdaadbestrijding niet waar kán maken,’ zegt Paul Ponsaers, als ik hem spreek in Den Haag. Hij is emeritus hoogleraar criminologie en heeft decennia onderzoek gedaan naar politie, terrorisme en veiligheid in België en kent ook de Nederlandse situatie goed. ‘Er is veel onderzoek naar gedaan: wat kan de politie? En dat is vooral de schade beperken. Wat is de echte taak? Boeven pakken? Dat is volksverlakkerij, daar is tientallen jaren onderzoek naar gedaan. Beloftes van politici dat ze de criminaliteit kunnen terugdringen, met tien procent minder van zus of zo: ja vergeet het!’

‘Criminaliteit is nu eenmaal verbonden aan een vrije samenleving. Ik sprak kort na de Anjerrevolutie een Portugese procureur-generaal en die vroeg zich af waarom er sinds kort zoveel criminaliteit was in Portugal. Tsja, onder de dictatuur stond er op elke hoek een agent, maar een vrije samenleving brengt nu eenmaal bepaalde risico’s met zich mee. Je moet het natuurlijk niet nodeloos vergroten, maar je kan het ook niet echt verkleinen. Ik zeg niet dat de politie dat niet moet doen, maar het doel is veel meer dan alleen boeven vangen.’

Het zal inmiddels duidelijk zijn: meten leidt lang niet altijd tot weten. Een hoge politiefunctionaris gaat in een achtergrondgesprek nog verder: ‘Het laagste niveau van denken is tellen.’

Als het turven van de misdaadcijfers niet de juiste weg is, hoe beoordeel je dan of de politie het goed doet?

 

1. Meet niet de veiligheid, maar het vertrouwen van de burgers

Ponsaers: ‘Of de politie slaagt in haar belangrijkste functie – er zijn, waken – kun je beoordelen door te hoe tevreden de burgers zijn of hoeveel vertrouwen ze hebben. Hoe meet je de kwaliteit van politiewerk? De burger moet zich veilig voelen en de politie moet boeven vangen, dat zijn de twee dingen die belangrijk zijn. Je moet zeker niet alleen doen wat de burger wil, dat is populisme. Er is geen burger die zegt: je moet achter mensensmokkel aan. Je moet dus ook wel doen wat mensen bezighoudt, maar het is een en/en verhaal, niet of/of.’

Henk Ferwerda bevestigt die stelling. Hij is als criminoloog directeur van Bureau Beke en doet al dertig jaar onderzoek naar politie en criminaliteit. ‘Je moet veel slimmer naar de prestaties kijken, niet alleen naar de cijfers, maar ook naar de werkelijkheid op straat. Klanttevredenheid is daarbij een groot goed. Maar wie is de klant van de politie? De burger of de minister van Veiligheid en Justitie? Ik denk niet dat die dezelfde prioriteiten hebben.’

Hij vindt dat de politie meer aan ‘verwachtingsmanagement’ moet gaan doen. ‘Ze moet aangeven wat ze wel en en niet kan doen.’ Iedereen verwacht ook andere dingen van de politie. ‘Welk perspectief kies je? Dat van de burger of de politiek? Nu is dat laatste perspectief behoorlijk leidend.’

Maar terwijl de politiek hamert op high impact crimes of de bestrijding van drugshandel, ergert de burger zich aan hangjongeren, verkeerd parkeren en asociaal verkeersgedrag, ‘De politie zit klem tussen die twee perspectieven, en moet daarmee jongleren.’

 

2. Meet niet de misdaad, maar richt je op recidive

‘De recidive aanpakken is veel belangrijker dan bijvoorbeeld jagen op jeugdbendes,' stelt de bovengenoemde politieman. Naar schatting wordt ongeveer zeventig procent van alle misdrijven gepleegd door bekenden van de politie, en verreweg de meeste criminelen gaan weer in de fout.

Dat is ook de achtergrond van de Top 600-aanpak in Amsterdam, waarbij de politie met de gemeente en andere instanties achter de zeshonderd actiefste draaideurcriminelen aanjaagt. Het geheim van het project is nu juist dat het niet alleen om straffen gaat: het gaat er vooral om dat de jongens niet meer terugvallen. Vandaar dat het essentieel is dat de gemeente en andere instanties nauw samenwerken. ‘Je kijkt ook naar de jongere broertjes in zo’n gezin. Zijn er problemen met onderwijs? Is het huisvesting? Is er therapie nodig? Wie is de regisseur, wie is verantwoordelijk? De politie kan het niet in splendid isolation,’ aldus de politieman. De samenleving en dus ook de misdaad zijn veel complexer geworden. ‘Je moet naar veel meer indicatoren kijken, met meer disciplines.’

 

3. Zorg voor meer controle en tegenspraak

De Belg Ponsaers vindt het zorgelijk dat de Nederlandse politie is samengevoegd met justitie tot een nieuw megaministerie van Veiligheid en Justitie. ‘Die twee departementen horen niet bij elkaar. Justitie staat voor recht, veiligheid gaat over iets heel anders. Je kan een heel veilige samenleving hebben die heel onrechtvaardig is en omgekeerd.

'Wat nu gebeurd is op Veiligheid en Justitie, zou in het Belgische systeem niet gebeurd zijn'

Het gesprek met Ponsaers vond plaats kort na het gedwongen vertrek van Teeven en Opstelten. ‘In België worden bij vorming van een nieuwe coalitie altijd eerst de machtsdepartementen verdeeld over de partijen: Justitie, Defensie, Binnenlandse Zaken en Financiën. Er moeten checks and balances zijn, ministers van verschillende partijen moeten elkaar op de vingers kijken. Als er geen checks zijn is de balans weg.’

In Nederland zijn alle drie de ministeries die met veiligheid en geweld te maken hebben (Defensie, Veiligheid en Justitie, en Binnenlandse Zaken) in handen van één partij. Erg onverstandig: ‘Wat nu gebeurd is op Veiligheid en Justitie, zou in het Belgische systeem niet gebeurd zijn.’

Meer tegenspraak – door andere bewindslieden, maar ook door een onafhankelijker politietop – voorkomt dat politici monomaan hun stokpaardjes (zoals wietpassen of jeugdbendes) berijden en zorgt ook voor meerdere perspectieven.

 

Is er een alternatief voor het rendementsdenken?

Een alternatief voor het rendementsdenken verzinnen is per definitie lastig, omdat de echt belangrijke zaken in het leven nu juist complex zijn en zich niet laten vangen in cijfers. Iedereen kan zich wel een beeld vormen van een goede wijkagent, maar hoe kun je die kwaliteit zinvol meten?

Lector Eysink Smeets weet dat ook nog niet precies. ‘Je kunt denken aan zoiets als NICE, het National Institute for Health and Care Excellence in de Britse gezondheidszorg. Daar praten mensen uit verschillende geledingen, professionals en patiënten samen, over wat zinvolle zorg is en wat niet, wat kosteneffectief is en wat niet.’

Een politie die vooral afgerekend wordt in termen van straf en repressie verliest het vertrouwen van burgers: ‘De politie is een vooruitgeschoven post van de overheid. De kwaliteit van de politie zegt ook iets over de kwaliteit van de overheid, die moet je kunnen vertrouwen.’ Dat is niet alleen een principiële kwestie, maar ook een praktische. De politie kan zonder een goede relatie met de burger haar werk helemaal niet doen: zo’n negentig procent van alle bruikbare opsporingsinformatie komt van burgers.

De politie hoeft niet onze beste vriend te zijn, zoals de slogan ons vroeger wilde doen geloven. Liever niet zelfs, want de politie moet gezag uitstralen en waar nodig stevig kunnen optreden. Maar een politie die alleen maar wordt afgerekend op ‘spijkerhard’ optreden en repressie raakt het contact met de samenleving kwijt, en daarmee niet alleen haar draagvlak maar ook haar belangrijkste bron van informatie. Sir Robert Peel, de oprichter van de de Londense Metropolitan Police zei het al in 1829: ‘De politie is de bevolking, de bevolking is de politie.’