Blog Paul Ponsaers

Evidence based beleid en praktijk bij de politie?

Devroe, E . & Ponsaers, P. (2014). “Evidence based beleid en praktijk bij de politie in Nederland en België”, Tijdschrift voor de Politie , n°10

 

Er is duidelijk wat mis met de verhouding politie & (sociale) wetenschap. Dat deze relatie steeds problematisch is geweest is niet nieuw. Dat werd reeds bij herhaling door collega’s met verve beargumenteerd en gedemonstreerd (Cachet, 1985; Reiner, 1992; Reiner, 2000; Fijnaut, 2004, 2014). Er is echter wat meer aan de hand en daar willen we in deze bijdrage de vinger op leggen.

 

De politie, zowel in Nederland als in België, is er mettertijd van overtuigd geraakt dat samenwerking en partnership essentiële onderdelen zijn van goed politiewerk en evidenties zijn. De politie moet er al lang niet meer van overtuigd worden dat samenwerking met anderen in grote mate bijdraagt tot een betere veiligheidszorg. Het lijkt een vanzelfsprekendheid geworden. Zo ook wanneer het gaat om samenwerking met sociale wetenschappers?

 

Het is onze overtuiging en ervaring dat er wel degelijk een erg fundamenteel probleem bestaat en we wensen deze zienswijze te onderbouwen aan de hand van vier kernargumenten.

 

1. ‘Alles wat we zelf doen, doen we beter’

 

De politie is niet schuw van wetenschappers, wel van wetenschap die naar haar aanvoelen al te vrijblijvend uitspraken doet over haar functioneren en de aanpak die zij ontwikkelt. Het is opvallend dat deze opvatting op termijn een attitude heeft doen ontstaan die in grote mate vertrekt van de grondgedachte dat onderzoek best in eigen schoot plaatsvindt of onder de directe hiërarchische leiding van het apparaat zelf (Reiner, 1991). ‘Inhuren of contracteren van onderzoekers’, ‘uitbesteden van kortlopend onderzoek onder strikt contractbeding’ en ‘instellen van leerstoelen in de eigen organisatie’ zijn hier voorbeelden van. Het gaat er niet zozeer om dat de politieleiding geen vertrouwen zou hebben in onderzoekers, maar wel dat zij de mening is toegedaan dat het allemaal wat efficiënter kan en meer to the point. ‘Alles wat we zelf doen, doen we beter’, zo lijkt het wel. Is dat zo?

 

Vooreerst toch een nuance. Deels is genoemde attitude begrijpelijk. Sommige onderzoekers beroepen zich wellicht al teveel op hun zogenaamde ‘academische vrijheid’ om meningen te verkondigen die onvoldoende wetenschappelijk zijn onderbouwd. Niet elke uitlating van een academicus valt immers onder de ‘academische vrijheid’, in sommige gevallen gaat het gewoon om het uitoefenen van het recht op ‘vrije meningsuiting’. Het uiten van een mening dient gevrijwaard voor ieder burger, maar het feit dat een wetenschapper een mening verkondigt betekent natuurlijk nog niet dat deze stoelt op wetenschappelijke kennis. Soms moeten we in eigen boezem durven te kijken als wetenschappers, en erkennen dat ‘academische vrijheid’ en ‘vrije meningsuiting’ soms onterecht worden vermengd. Integere en kritische wetenschap zou er in feite op gericht moeten zijn dit onderscheid te bekrachtigen door pertinent theoretische en methodologische kritiek te blijven formuleren op gepubliceerde onderzoeksresultaten. Het is immers slechts op deze wijze dat wetenschap voortgang kan maken en een reële meerwaarde kan betekenen, ook voor de politieorganisatie (Goethals & Ponsaers, 2014a).

 

Implicaties

Deze nuance terzijde, dient in algemene zin aangestipt dat het in onze complexe kennissamenleving gewoon niet langer mogelijk is dat een politieorganisatie alle kennis in eigen schoot zou verenigen. Ten tijde van Bertillon was het wellicht nog mogelijk de techniek van het nemen van vingerafdrukken te verfijnen in de eigen politielaboratoria, maar deze tijden liggen ver achter ons. De meeste vernieuwingen, of deze nu technologisch dan wel organisatorisch van aard zijn, worden buiten de politie om ontwikkeld door private ondernemingen of academici, en dienen zich in een later stadium aan als een opportuniteit voor de politie. Dat impliceert onvermijdelijk een aantal zaken.

 

Op de eerste plaats zal de politie erg alert ‘research & development’ buiten de organisatie moeten monitoren en zich op permanente basis moeten afvragen of technologische nieuwigheden nu al dan niet een nuttige en betaalbare politiële toepassing kunnen krijgen. Kortom, de ‘transferfunctie’ binnen het apparaat wordt in toenemende mate van belang en politiekorpsen zullen zich hierop moeten organiseren, of zij dit nu wensen of niet.

 

Op de tweede plaats blijft de kerntaak van de politie openbare dienstverlening. Grote delen van het takenpakket zijn dan ook verbonden met sociologische en bestuurskundige vraagstukken en niet te reduceren tot louter technologische innovaties (Monjardet, 1985). Het is dan ook aan deze overheid om middelen ter beschikking te stellen van het wetenschappelijk dispositief om ook dit soort van vernieuwend onderzoek te blijven stimuleren ten behoeve van de burgers. Ook op dit vlak kan niet langer alles in eigen huis worden ontwikkeld en voorbereid. Dergelijk onderzoek moet gericht zijn op benchmarking bij andere organisaties (ook buiten de veiligheidssfeer) en het zoeken naar toepassingsmogelijkheden op politieel gebied. Een onwaarschijnlijk breed domein ligt hier braak voor exploratie en exploitatie.

 

Op de derde plaats moet wetenschap ook fundamenteel onderzoek omvatten. Het onderwijs moet gevoed worden met nieuwe kennisinhouden, en studenten moeten brede aandacht krijgen voor maatschappelijke evoluties en wetenschappelijke inzichten. Dat komt ook het onderwijs en het verdergaand onderzoek ten goede, hetgeen op zijn beurt toelaat nieuwe generaties met een brede maatschappelijke kijk voor te bereiden, waaronder ook nieuwe politiemensen. Al teveel wordt wetenschappelijk onderzoek louter instrumenteel gezien, als een soort van vraag-en-antwoordspel op specifieke en nauw omschreven vragen, terwijl het wetenschappelijk bedrijf meer dan ooit tot opdracht heeft kritische burgers op te leiden die in staat zijn weldoordachte keuzes te maken (Goethals & Ponsaers, 2014a). Ook dat is een overheidsopdracht en vergt investeren in de toekomst, alle besparingsrondes ten spijt.

 

Leren loslaten

Kortom, het is niet langer zo dat ‘alles wat de politie doet, beter is gedaan’, in eerste instantie omdat het niet langer mogelijk is, maar ook omdat het niet langer wenselijk is. De politie is een onderdeel van een breed maatschappelijk project, dat overheidssturing behoeft en zich niet langer achter de kazernemuren kan verschuilen. Het was niet louter retoriek dat de projectgroep Politie 2025 in België recent opteerde voor een ‘netwerkende politie’ (Bruggeman et al., 2014; Van Rijckeghem et al., 2014). Dat geldt in grote mate evenzeer wanneer het gaat om de verhouding tussen politie en wetenschap. De politie zal dan ook moeten leren ‘loslaten’ en haar neiging om al te sturend te zijn naast zich neerleggen. Niet alles in het veiligheidsdomein hoeft te verlopen onder de regie van de politie, zeker niet het wetenschappelijk onderzoek.

 

Het zal er naar ons gevoelen in grote mate op neerkomen dat vernieuwend handelen zich zal ontwikkelen in een ‘triple helix’-structuur (Fuller, 2000), waarbinnen zowel de overheid, het ondernemingsleven als het wetenschappelijk onderzoek hun plaats kunnen krijgen, met respect voor elkaars eigenheden. Een dergelijk project vergt evenwichtskunst, ook wat betreft de toegang voor onderzoekers van noodzakelijke (interne) bronnen en het openbaar maken van onderzoeksresultaten. Het behoort tot het wezen van wetenschap dat zij in een dergelijk project een kritische functie opneemt (Goethals & Ponsaers, 2014b).

 

2. ‘Alles wat de bevolking vraagt, moeten we doen’

 

Sinds enige tijd zijn de kernideeën van het Community Policing-gedachtegoed in Nederland en België verankerd in het denken van en over de politie (Verhage & Ponsaers, 2013). Op zich heeft dit een belangrijke evolutie op gang gebracht, die globaal genomen als positief geëvalueerd kan worden. Zo heeft de politie in toenemende mate geleerd rekening te houden met de noden en behoeften van de bevolking. Het was precies op dit snijvlak tussen politie en bevolking dat zich afgelopen jaren nogal wat wetenschappelijk onderzoek heeft ontwikkeld. Men kan hierbij bijvoorbeeld denken aan de ontwikkeling van bevolkingsonderzoek inzake de relatie tussen de politie en de bevolking alsmede onderzoek naar het vertrouwen van burgers in, en tevredenheid van burgers over de politie (Ponsaers, 2013).

 

Hierdoor is evenwel de gedachte gegroeid dat de politie zich vooral moet richten op de verwachtingen van de burger. En wat bleek? Grote aandacht ging, ook in het onderzoek, naar ‘het kleine kwaad’, met een sterke nadruk op jeugddelinquentie en kleine, veelvoorkomende criminaliteit (Fijnaut, 2004, 2014). Ook de overlast en hinder waarmee burgers worden geconfronteerd kregen in toenemende mate aandacht. Dat maakte evenwel dat ondermijnende en ontwrichtende misdaad minder in de belangstelling kwam te staan. De georganiseerde misdaad, vormen van financieel-economische criminaliteit, terrorisme, corruptie en cybercriminaliteit bleken weinig tot de verbeelding van de bevolking te spreken en dus investeerde de politie hier in mindere mate in (Monjardet, 1994).

 

Het verdient vermelding dat deze evolutie in de hand werd gewerkt door een synergetische beïnvloeding van gedachten die zowel leefden binnen het politieapparaat, als binnen de gemeenschap van politieonderzoekers zelf. Nochtans dient opgemerkt dat genoemde misdadigheid de samenleving ernstig kan bedreigen en vreemd genoeg liggen burgers er, blijkens tal van bevolkingsonderzoeken, niet echt wakker van. Aan de politiekant was er dan weer aarzeling, omdat deze nieuwe vormen van misdadigheid nopen tot samenwerking met allerhande andersoortige en minder gekende ‘partners’ op het domein, zoals compliance-officers, auditors, boekhouders, toezichthouders, internetproviders en bijzondere inspectie- en opsporingsambtenaren (Hoogenboom, 1994). De meeste politiemensen beschouwden dit niet meteen als echt aantrekkelijk of uitdagend, maar eerder als een hinder om de ingeslagen traditionele paden verder te bewandelen.

 

Populisme

Deze synergie dreigt vandaag uit te monden in een vorm van populisme, waarbij ervan uitgegaan wordt dat er een grote afstand bestaat tussen datgene dat de bevolking wenst enerzijds en hetgeen de politieke klasse doet anderzijds. Een politie die zich volledig ent op de wensen van de bevolking en dus een populistische koers vaart, slaat daarmee twee vliegen in één klap (Gunther Moor et al., 2014). Op de eerste plaats wint ze hiermee aan krediet bij de bevolking, verbetert ze haar imago en beperkt ze reputatieschade. Maar er is meer. Door immers te verwijzen naar de wens van de bevolking creëert de politie op de tweede plaats een grotere afstand tussen politie en politiek, waardoor ze haar gezagsafhankelijkheid ten aanzien van haar overheden kan temperen (Gunther Moor et al., 2014).

 

Populisme brengt met andere woorden voor de politie een win-winsituatie mee die ze niet zomaar wenst in te leveren. Op deze manier gaat de politie een stilzwijgende alliantie aan met populistische partijen en politieke tendensen die hetzelfde standpunt huldigen. Politiek verantwoordelijken die tegen dit populisme ingaan en wetenschappelijk onderbouwde of ideologisch geïnspireerde keuzes maken, krijgen dan te maken met een sterk front, dat moeilijk nog te slopen valt. Al bij al dreigt dit te leiden tot het behoud van de status quo en weerstand tegen verandering. Wat de bevolking wenst is immers steeds datgene dat de gemiddelde burger wenst, en die gemiddelde burger herziet zijn opvattingen slechts uitermate zelden of langzaam.

 

Opdracht

Populisme vormt vanuit dit opzicht een gevaar. Burgers redeneren immers meestal in termen van particuliere belangen en zijn zelden bij machte om te pleiten voor algemene belangen en bekommernissen. Op het moment dat de politiek verantwoordelijken gevraagd wordt hun prioriteiten te stellen, is er het risico dat zij zich al te exclusief inspireren op het resultaat van de laatste bevolkingsenquête, in de hoop hiermee de volksgunst te winnen. Op zo’n moment ontstaat het gevaar dat wordt voorbijgegaan aan de opdracht van de politieke overheid in een representatieve democratie, welke er met name in bestaat keuzes te maken in functie van het algemeen belang, een belang dat verder reikt dan de loutere som van de individuele burgerbelangen. Zei Thorbecke, grondlegger van de Nederlandse parlementaire democratie, in zijn parlementaire redevoeringen in 1869 niet: ‘Is het alleen de vraag, wat het volk of de meerderheid wil, dan vervalt de vraag naar hetgeen regt, waar, goed en uitvoerbaar is’ (Drentje, 2004). Het algemeen belang heeft dus in beginsel niet enkel betrekking op wat een meerderheid wil, maar juist op de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat, waarin ook oog moet zijn voor de belangen van minderheden en individuen (Ponsaers & Devroe, 2012).

 

Dat is de draagwijdte van het eerste artikel van de Belgische wet op het Politieambt, dat vermeldt: ‘(…) Bij het vervullen van hun opdrachten van bestuurlijke of gerechtelijke politie, waken de politiediensten over de naleving en dragen zij bij tot de bescherming van de individuele rechten en vrijheden, evenals tot de democratische ontwikkeling van de maatschappij’. Het behoort dan ook tot de essentiële opdracht van de politie de rechten & vrijheden en de democratie niet enkel te vrijwaren, maar evenzeer actief mee te ontwikkelen en te bevorderen.

 

3. ‘Efficiëntie is de maat van een goede politie, wetenschap moet hierbij dienstbaar zijn’

 

Hier ligt naar onze mening een belangrijke opdracht voor de wetenschap. Het is juist in de strijd tegen ontwrichtende en ondermijnende vormen van criminaliteit dat fundamentele rechten en vrijheden en rechtsstatelijke principes onder druk komen te staan. Soms lijkt de strijd tegen deze vormen van criminaliteit wel op een wapenwedloop, waarbij beide partijen (het wild en de jagers) steeds intrusievere middelen inzetten (Ponsaers & Devroe, 2012).

 

De wetgeving inzake bijzondere opsporingsmethoden is hier een voor de hand liggend voorbeeld van, maar ook de creativiteit waarmee politie omgaat met vraagstukken inzake het delen van informatie met andere gespecialiseerde diensten, of met het tegengaan van radicalisering van jongeren, of met de grenzen van het zogenaamd ‘gewapend bestuur’. Deze voorbeelden illustreren de nood aan heldere bakens in het licht van het voorgaande. Buitenlandse schandalen als de NSA-praktijken, waarbij aan massale datagaring wordt gedaan, of het folteren van verdachten in de Guantanamogevangenis, tonen aan dat het menens is. Veiligheids- en politiediensten zoeken meer dan ooit de grenzen op van hetgeen een rechtsstaat kan verdragen. Op zich is dat niet verwonderlijk, want de tegenpartij zet eveneens alsmaar ingrijpender middelen in.

 

Resultaatgericht

De vraag is echter of de huidige tendens tot het steeds verder oprekken van de grenzen van de rechtsstaat de goede is. Het lijkt wel alsof de politieke klasse de andere kant opkijkt, de zaken op hun beloop laat en overlaat aan de creativiteit van de uitvoerende diensten, de politie incluis. Het feit dat de publieke reactie op deze ‘verschuivende grenzen’ matig tot ondermaats is, is hier wellicht mede debet aan. Het lijkt wel of in het politieke en publieke debat het uitgangspunt is dat juridische regels en verplichtingen eerder de veiligheid hinderen dan bevorderen (Devroe & Lague, 2014). Heeft de politiek dan niet die regels ingesteld omwille van een bepaalde reden, zo dienen we ons toch af te vragen? ‘Uiteindelijk is de kernwaarde van de rechtsstaat rechtsbescherming’, betoogde Hirsch Ballin nog recent (Hoogenboom, 2014) in zijn betoog over de ‘Staat van de Rechtsstaat’ in de Nederlandse Eerste Kamer.

 

Veel van deze discussie is terug te voeren tot het politiek doordrukken van het ‘managementdenken’ in politie- en justitiekringen. Efficiëntie en resultaatgerichtheid lijken de kernwaarden te zijn geworden van instanties die in essentie verantwoordelijk zijn voor de toepassing van de beginselen van een behoorlijke (straf)rechtsbedeling. ICT-instrumenten worden in toenemende mate ingezet om politieke en managementdoelen te bereiken. Ze centraliseren informatie, bevorderen controle op afstand, standaardiseren praktijken, stroomlijnen organisaties, automatiseren taken, laten de meting en evaluatie van werklast toe, en nog veel meer (Bovens & Zouridis, 2002). Maar of ze bijdragen tot de fundamentele doelstelling van het politiewezen blijft een open vraag.

 

Open onderzoekspraktijk

De reactie op deze kritiek is er niet zelden één van onmacht, in de zin van : ‘We zitten in de boot en … we moeten varen … of het schip zinkt.’ Niet zelden wordt daaraan toegevoegd dat wetenschappers zich beter dienstbaar kunnen opstellen in de zoektocht naar een verhoogde efficiëntie van het apparaat. De golf van ‘what works’-studies die op dit soort van overheidsaanspraken volgde, toont aan dat menig onderzoeker zich aangesproken voelde door de noodkreet vanwege de overheid. Terecht, maar soms ook onterecht naar onze mening (Ponsaers, 2010).

 

Soms lijkt het immers op een dovemansgesprek. Wetenschappelijk onderzoek laat zich niet beperken tot vraagstellingen die louter instrumenteel en incidentgedreven zijn. Onderzoekers willen graag het oprekken van de grenzen van de rechtsstaat tot hun onderzoeksobject maken, tezelfdertijd vanuit de bekommernis dat de strijd tegen ondermijnende criminaliteit gevoerd moet worden en wat daar adequate middelen voor zouden kunnen zijn; maar ook wat strijdig is met de beginselen van de rechtsstaat; tot zelfs in welke mate de rechtsstaat haar grenzen al dan niet zou behoren te verleggen en dus nieuwe regelgeving nodig is.

 

Een dergelijke volwassen en open onderzoekspraktijk is essentieel voor de ontwikkeling van een levende democratie. Wetenschappelijk onderzoek laat en mag zich evenwel niet inperken tot het vooraf bepalen van het resultaat van de studie. Een noodzakelijke voorwaarde voor een dergelijke ontvoogde en integere onderzoekspraktijk is uiteraard een receptieve overheid, een beleid dat evidence based is (Devroe, 2010b).

 

4. ‘Wetenschap moet het gevoerde beleid voeden’

 

Enige tijd geleden publiceerde Valerie Smet haar onderzoeksresultaten met betrekking tot de relatie tussen beleid en sociaalwetenschappelijk onderzoek in Vlaanderen (Smet, 2012). Uit haar onderzoek blijkt overduidelijk dat beleidsmakers instrumentele kennis verkiezen boven politiek (legitimerend) gebruik. Bij de factoren die het kennisgebruik kunnen verhogen, wegen de kenmerken van de informatie veel meer door dan de politiek-ideologische kenmerken. Onderzoekers blijken zich bij de mate waarin ze hun onderzoek aanpassen aan beleidsmakers, ook eerder te richten op de kenmerken van de informatie en het minst rekening te houden met de politiek-ideologische context. Op zich een verheugende en tegelijk verrassende vaststelling (Devroe & Van de Velde, 2005).

 

Verder bleek uit het onderzoek van Smet (2012) dat de feitelijke invloed van onderzoek het grootste was gedurende de fase van de beleidsvoorbereiding en het kleinst bij evaluatie (Bruggeman et al, 2010). Er blijkt dus meer kennisgebruik bij ‘intentionele documenten’ zoals beleidsnota’s en beleidsbrieven – documenten die nog dienen te worden besproken en bijgevolg theoretischer zijn. Onderzoek lijkt minder te worden gebruikt voor ‘lopende zaken’ zoals wetgevende teksten (Devroe, 2002a; Devroe, 2002b).

 

Qua tevredenheid over het gebruik van hun onderzoek en de conclusies die beleidsmakers eruit trekken, verschillen de meningen van onderzoekers. Het grootste deel van hen heeft geen er specifieke mening over, mogelijk ook omdat ze niet altijd op de hoogte zijn van wat er met hun onderzoek gebeurt na het afleveren. Een derde is echter ontevreden over de mate waarin hun onderzoek door de overheid wordt gebruikt (33,2%), 28,7% is niet content met de conclusies die beleidsmakers trekken uit hun onderzoek. Het is duidelijk dat beleidsmakers en onderzoekers in zeer verschillende werelden werken, die niet altijd even compatibel blijken (Maning & Warfield, 2009).

 

Evolutie

Toen we enige jaren geleden een stand van zaken opmaakten met betrekking tot het gebruik van wetenschappelijk onderzoek inzake politie in beleidskringen, deden we een aantal vaststellingen die nog steeds gelden (Ponsaers et al., 2009). De relaties tussen academische en politionele werelden zijn duidelijk aan het evolueren. Eenmaal de pioniersperiode voorbij, worden de connecties tussen onderzoekers en politie in veel landen gekenmerkt door een geleidelijke overgang naar kruisbestuiving en relatieve symbiose. Hieruit vloeien hybride onderzoeken voort, zowel ‘voor’ als ‘naar’ de politie. In dit verband is het opmerkelijk vast te stellen dat onderzoekers met een verleden van politieagent geen uitzondering vormen. Zij onderhouden hechte relaties met de politiewereld. Ook andersom zien we voormalige universitaire onderzoekers ingelijfd worden binnen onderzoekssettings van de overheid of de politie.

 

In een dergelijke context ontvouwt zich een onderzoekscultuur waarin onderzoekers eigenbelang ontwikkelen en als consulenten ad hoc expertises gaan uitvoeren, en worden de voorwaarden gecreëerd om een onderzoeksproductie te ontwikkelen over politie die sterk beïnvloed is door pragmatisme, of het nu bestuurskundig of operationeel is van aard. Deze evolutie in het politieonderzoek vertaalt zich in de methoden van onderzoeksfinanciering en in de positionering van onderzoeksinstellingen die erbij betrokken zijn. De concentratie van onderzoekskennis in bepaalde instituten, hun invloed en graden van onafhankelijkheid aan de ene kant, en de verdeling van selectief onderzoek gebaseerd op expertise aan de andere kant, is voor een groot deel afhankelijk van de wijze waarop de financiering verloopt (Devroe, 2011; De Kimpe et al., 2009). In ieder geval dient opgemerkt dat financiering van onafhankelijk onderzoek sowieso terugloopt onder druk van de economische crisis.

 

Onderzoekers zelf dienen te kiezen tussen opdrachtgevers die geïnteresseerd zijn in dit onderzoeksveld en die hen allicht de nodige bewegingsruimte zullen laten, en zij die geen interesse hebben (Devroe, 2010a). De pioniersperiode ligt achter ons in Nederland en België (Tange, 2009). Systematisch komen we vandaag terecht in een onzekere periode van kristallisatie, waarin dominante academische expertise in de vorm van ‘expertisepools’ afhankelijk wordt van de overhead. Het gewicht van het fundamenteel onderzoek naar de politie steunt op de persoonlijke initiatieven van onderzoekers en academici. Pioniers of ‘solisten’ worden de ‘overlevers’. Of moeten we eerder spreken van de ‘achterhoede’ van het fundamenteel politieonderzoek, dat steeds verder afgesloten raakt van zijn onderwerp?

 

Met het afscheid van collega Cachet uit de redactie van het Tijdschrift voor Politie verliezen we een leidinggevende figuur uit deze biotoop (Cachet, 1985). Als geen ander wist hij de band tussen wetenschap en politiebeleid te leggen. De redactie en de lezers zullen hem missen.

 

Bibliografie

BOVENS, M., ZOURIDIS, S. (2002). From street-level to system-level bureaucracies: How information and communication technology is transforming administrative discretion and constitutional control, Public Administration Review, vol. 62, n°2.

BRUGGEMAN, W., VAN RYCKEGHEM, D., ALLAERTS, D., BARBIER, A., CRISPEL, M., DE WITTE, L., EASTON, M., LEMAÎTRE, A., LOYENS, K., MAESSCHALCK, J., MASSEI, A., MAURER, T., PONSAERS, P., SIMONIS, M., VAN DEN BROECK, M., WANDERSTEIN, H. (2014). Een politie in verbinding – Een visie voor de politie in 2025, consulteer : http://www.polsupport.be/FILE/DGS/DSI/police2025n.pdf

BRUGGEMAN, W., DEVROE, E., EASTON, M. (2010) (Eds.). Evaluatie van tien jaar politiehervorming, Reeks Panopticon Libri n°3, Antwerpen/Apeldoorn: Maklu.

CACHET, A. (1985). Sociologie van de politie sinds '70, Tijdschrift voor de Politie, 1, 1-11.

DE KIMPE, S., PONSAERS, P., VERHAGE, A. (2009). Belgique : Évolution d’une recherche entre contexte sociopolitique et confluence partielle d’intérêts, in : Ponsaers, P., Tange, C., Van Outrive, L. (eds.), Regards sur la police – Insights on police, Un quart de siècle de recherche sur la police en Europe et dans le monde anglo-saxon – Quarter of a century research on police in Europe and the anglo-saxon world, Bruylant : Bruxelles/Brussels.

DEVROE, E., LAGUE, L. (2014). Gras wordt niet groener door er aan te trekken, Orde van de Dag, in LAGUE, L., DEVROE, E. (Eds.) (2014) Tussen droom en daad : modern management en de zetel, Mechelen : Kluwer.

DEVROE, E. (2011). Niets nieuws onder de zon. Onafhankelijkheid van onderzoekers in de Belgische en de Nederlandse criminologie, In Tijdschrift voor criminologie, Vol. 53(2), 178-182.

DEVROE, E. (2010a). ‘Wetenschap voor beleid of beleid voor wetenschap? Een analyse van 15 jaar politie en Justitie onderzoek in België’, In Panopticon, Vol. 31(3), 11-40.

DEVROE, E. (2010b). Evidence-based policing: ook voor politie?, in Cahier Politiestudies, Vol. 17, 17-53.

DEVROE, E., VAN de VELDE, L. (2005), Onderzoek Justitie doorgelicht, Gent: Academia press.

DEVROE, E. (2002), De ontmoeting tussen criminologisch onderzoek en strafrechtelijk beleid, Brussel: Politeia.

DEVROE, E. (2003), Inzicht in criminologische onderzoeksinstituties, Brussel: Politeia.

DRENTJE, J. (2004). Thorbecke: een filosoof in de politiek. Amsterdam.

FIJNAUT, C. (2004). De criminologie in Nederland. Een grensoverschrijdende bespiegeling. Tijdschrift voor Criminologie 46 (Jubileumuitgave ‘Een Vlaamse Spiegel’): 5-8.

FIJNAUT, C.J.C.F. (2014). Criminologie en strafrechtsbedeling. Een historische en transatlantische inleiding. Antwerpen – Cambridge: Intersentia.

FULLER, S. (2000). The Governance of Science. Open University Press: Buckingham.

GOETHALS, J., PONSAERS, P. (eds.) (2014a), Themanummer Wetenschapsfraude en Ethische Kwesties binnen het Criminologisch Onderzoek, Panopticon, Jg. 35, nr.4, Antwerpen.

GOETHALS, J., PONSAERS, P. (2014b), Is er wat mis met de mand (van de ‘rotte appels’)?, in: Themanummer Wetenschapsfraude en Ethische Kwesties binnen het Criminologisch Onderzoek, Panopticon, Jg. 35, nr.4, Antwerpen, 257-266.

GUNTHER MOOR, L., PONSAERS, P., DE VRIES, M., EASTON, M. (Eds.) (2014), Cahiers Politiestudies – Het Gezag van de Politie , Antwerpen/Apeldoorn, Jg. 2014-2, nr. 31.

HOOGENBOOM, A.B. (2014), Column SMV ‘De Staat van de Rechtsstaat’. Consuleer: http://www.maatschappijenveiligheid.nl/de-staat-van-de-rechtsstaat/

HOOGENBOOM, A.B. (1994). Het politiecomplex: over de samenwerking tussen politie, bijzondere opsporingsdiensten en particuliere recherche, Arnhem, Gouda Quint.

MANING, P.K., YURSZA WARFIELD, G. (2009). United States : Research for the police and knowledge accumulation, in : Ponsaers, P., Tange, C., Van Outrive, L. (eds.), Regards sur la police – Insights on police, Un quart de siècle de recherche sur la police en Europe et dans le monde anglo-saxon – Quarter of a century research on police in Europe and the anglo-saxon world, Bruylant : Bruxelles/Brussels.

MONJARDET, D. (1985). ‘Police et sociologie : questions croisées’, Déviance et société, 8, 4, 297-311.

MONJARDET, D. (1994). ‘La culture professionnelle des policiers’, Revue française de sociologie, 35-3, juillet-septembre, 393-412.

PONSAERS, P. (2013). Policing in Central and Eastern Europe as an epiphenomenon of geopolitical events. In MESKO, G., FIELDS, Ch., LOBNIKAR, B., SOTLAR, A. (Eds). Handbook on Policing in Central and Eastern Europe, New York: Springer, 5-13.

PONSAERS, P., DEVROE, E. (2012), On how a failing government creates an intrusive police force, in: Cahiers Politiestudies, In: DEVROE, E., PONSAERS, P., GUNTHER MOOR, L., GREENE, J., SKINNS, L., BISSCHOP, L., VERHAGE, A., BACON, M. (Eds.). Tides and currents in police theories, Antwerpen/Apeldoorn, Jg. 2012-4, nr. 25.

PONSAERS, P. (2010), Onderzoek als vormgever van beleid, of beleid als vormgever van onderzoek?, in : PONSAERS, P. (Ed.), Themanummer Evaluatieonderzoek, Panopticon, Antwerpen, Jg. 31, nr.3, 1-10.

PONSAERS, P., TANGE, C., VAN OUTRIVE, L. (eds.) (2009). Regards sur la police – Insights on police, Un quart de siècle de recherche sur la police en Europe et dans le monde anglo-saxon – Quarter of a century research on police in Europe and the anglo-saxon world, Bruylant: Bruxelles/Brussels, 607.

REINER, R. (1991). Chief Constables, London, Oxford University Press.

REINER, R. (1992). The politics of the police, Oxford, Oxford University Press.

REINER, R. (2000). ‘Police Research’, in King, R., Wincup, E. (Eds), Doing research on crime and justice, Oxford, Oxford University Press, 205-235.

SMET, V. (2012). Sociaalwetenschappelijk onderzoek en beleid - Een analyse van de interactie, kennisgebruik en doorwerking in België en Vlaanderen, Reeks Het Groene Gras, The Hague: Eleven International Publishers.

TANGE, C. (2009). Belgique : Évolution d’une recherche entre contexte sociopolitique et confluence partielle d’intérêtes, in : Ponsaers, P., Tange, C., Van Outrive, L. (eds.), Regards sur la police – Insights on police, Un quart de siècle de recherche sur la police en Europe et dans le monde anglo-saxon – Quarter of a century research on police in Europe and the anglo-saxon world, Bruylant : Bruxelles/Brussels.

VAN RYCKEGHEM, D., BRUGGEMAN, W., EASTON, M., PONSAERS, P. (2014). Een visie voor de politie in 2025 – Stuurgroep opteert voor netwerkende politie, in DEWAELS, M., VAN STOKKOM, B., KANSIL, T., BERKMOES, H. (Eds.), Cahiers Politiestudies, Themanummer Democratische Politie, Antwerpen/Apeldoorn, Vol. 32(3), 170-174.

VERHAGE, A., PONSAERS, P. (2014). Impacts of Community Oriented Policing, In BRUINSMA, G., WEISBURD, D. (Eds.), Encyclopedia of Criminology and Criminal Justice (ECCJ), New York: Springer, 2430-2435.