Blog Paul Ponsaers

La nouvelle police communale est arrivée?

Politiejournaal - September 2014

 

De hervorming van het Belgische politiebestel ligt ver achter ons. Eén van de belangrijkste spanningsvelden ten tijde van de hervorming was zonder enige twijfel de positie van de voormalige gemeentelijke politie. Ons collectief geheugen is kort. Zo is de terughoudendheid van menig regeringslid en parlementair vergeten daar waar het precies over de gemeentelijke politie ging. Of de gemeentelijke politie moest worden opgeheven, daarvan was niet iedereen van de politieke klasse overtuigd, zeker niet die parlementairen die met een burgemeestersjerp om in het federaal halfrond mee op de stemknoppen drukten. Intussen zijn we zestien jaar later en deden zich enkele belangrijke, eerder sluipende, evoluties voor die dit vraagstuk actualiseren.

 

(1) Op de eerste plaats is er het immer terugkerende vraagstuk omtrent de schaal van de huidige zonale politie. In 1998 was de wetgever al lang gelukkig met een indeling in 196 politiezones. Het was een moeilijke oefening geweest om gemeenten samen te voegen tot zones die cohesief genoeg waren om zelfstandige korpsen te schragen. Dat er zones waren die onder het kritisch minimum doken qua capaciteit was de toenmalige tol voor het consolideren van het politiek compromis. Overigens was op dat moment menig korpschef ervan overtuigd dat de voorbijgestreefde KUL-minimumnorm wel zou bijgesteld worden in functie van de nieuwe zonerealiteit en dat het capaciteitsprobleem mettertijd zichzelf zou oplossen. Dat gebeurde evenwel niet, hetgeen vandaag met zich meebrengt dat met steeds meer aandrang naar schaalvergroting wordt gestreefd van (al te?) kleine lokale korpsen door middel van vrijwillige fusieoperaties, mede onder druk van het besparingsklimaat. Het gevolg hiervan is echter dat op die plaatsen het gemeentelijk bestuur op grotere afstand komt te staan van de lokale politierealiteit.

Toen in Nederland in 1993 de (al te?) grote regiokorpsen werden ingevoerd bleek de afstand tussen gemeentelijk bestuur en de politiële regiogrootte dusdanig groot geworden dat er sprake was van een ‘democratisch deficit’, hetgeen uiteindelijk uitmondde in de recente Nederlandse hervorming tot één Nationale Politie, waardoor het politiebeleid uitdrukkelijk een louter nationale aangelegenheid werd, met nog weinig lokale inbedding. Menig burgemeester in ons land is zich (terecht) meer bewust (geworden) van de verantwoordelijkheden die hij of zij draagt inzake veiligheid en openbare orde in de gemeente. Er zijn dan ook tal van burgemeesters die dergelijk Nederlands scenario niet genegen zijn en daarom die vrijwillige opschaling van hun zone op de lange baan schuiven.

 

(2) Het beleid van de FOD Binnenlandse Zaken is afgelopen regeerperiodes onafgebroken gericht geweest op het ondersteunen en uitbouwen van gemeentelijke preventiestructuren. Dat kwam ondermeer tot uiting in het afsluiten van preventie-, veiligheids- en samenlevingscontracten tussen de federale overheid en gemeenten. Het gevolg hiervan was het uitbouwen van relatief forse gemeentelijke preventiediensten. Soms werden die diensten ondergebracht bij de gemeentelijke administratie, soms bij de gemeentelijk en (later) de zonale politie. Meestal werd op een creatieve wijze omgegaan met de afstemming tussen het gemeentelijk preventiebeleid en het zonaal politiebeleid.

Bij de instelling van de paarse gemeenschapswachten in 2007 door Binnenlandse Zaken, die de proliferatie van het gemeentelijk preventie- en veiligheidspersoneel (stewards, stadswachten, gemachtigd opzichters, parkwachters, enz.) moest tegengaan, ontstond een gemeentelijk geüniformeerd en zichtbaar korps, naast de zonale politie in de gemeenten. Naarmate dat preventiebeleid echter ook tanden werd gegeven, door middel van de Gemeentelijke Administratieve Sancties, stelde zich in toenemende mate met klem een probleem. GAS-verordeningen zijn immers onvervreemdbaar het gevolg van beslissingen op het niveau van de gemeentelijke democratie en dus niet van zonale politiestructuren. Ondanks het feit dat naar afstemming op zoneniveau wordt gezocht op diverse plaatsen, moeten gemeenschapswachten en zonale politiemensen overtredingen op gemeentelijke verordeningen verbaliseren, die kunnen verschillen van gemeente tot gemeente binnen één en dezelfde politiezone.

 

Het gemeentelijk niveau wordt in toenemende mate beladen met verantwoordelijkheden vanwege de federale en regionale overheden (op tal van beleidsterreinen, dus niet enkel op het vlak van de veiligheidsproblematiek). Er zijn dan ook erg goede redenen om in deze tijden van politieke herschikking te durven pleiten voor een fusieoperatie van gemeenten, eerder dan van zones. Het zou alvast een alternatief bieden voor de huidige aarzelende vrijwillige opschaling van zones, zonder dat er noodzakelijk een ‘democratisch deficit’ zou ontstaan. Uiteindelijk brengt een dergelijke operatie de zonale politie terug tot een gemeentelijke politie en wordt de afstemming met de paarse jasjes van de gemeenschapswachten teruggebracht tot haar essentie, met name een aangelegenheid van de gemeentelijke democratie.