Blog Paul Ponsaers

Is het echt nodig om schamper te doen over paarse jasjes...

De Morgen, 6 maart 2014

 

De regering biedt de mogelijkheid aan Gemeenschapswachten toe te treden tot lokale politiekorpsen. Vanuit verschillende hoeken, ook vanuit vakbondszijde, wordt hier wat schamper op gereageerd. Terecht?

 

In feite herhaalt de geschiedenis zich. Vóór 2006 bestonden in ons land “hulpagenten”. Zij stonden in voor het betalend parkeertoezicht in de gemeenten. Sindsdien vormen hulpagenten niet langer een afzonderlijke dienst, maar zijn ze ondergebracht bij de lokale politie. Zij werden “agenten van politie” en alle andere politiemensen mochten zich “inspecteurs” noemen. De nieuwe “agenten van politie” mochten meer opdrachten uitvoeren buiten de loutere verkeerssfeer. Er werd voor hen een nieuwe opleiding opgestart in de politieacademies. Deze maatregel werd toen toegejuicht omdat hij toeliet om 1.750 nieuwe leden bij de lokale politie te verwelkomen.

 

De controle van parkeerautomaten werd in de meeste gemeenten intussen doorgeschoven naar medewerkers van private parkeerbedrijven. Daar werd toen nauwelijks op gereageerd. “Meer blauw op straat”, dat was toch de bedoeling toen …

 

En de huidige Gemeenschapswachten dan? Deze functie kwam op 15 mei 2007 tot stand. De federale overheid had een wildgroei vastgesteld van gemeentelijke toezichthouders. Zij werden stadswachten, parkwachters, stewards, lijnspotters, gemachtigde opzichters e.d.m. genoemd. Allen kregen hetzelfde paarse jasje aangemeten. Met die nieuwe wet wilde Binnenlandse Zaken een eenvormig statuut maken voor alle publieke ambtenaren die een preventieve opdracht hadden in de gemeenten. Deze wachten kregen geen politiële bevoegdheden. Zij waren het paars dat de burger zijn onveiligheidsgevoel moest teruggeven.

 

In de praktijk werden de Gemeenschapswachten in grote mate gefinancierd via de samenlevings- en preventiecontracten die Binnenlandse Zaken afsloot met een aantal steden. Sommige gemeenten beschikten over een eigen preventiedienst en brachten de wachten onder bij deze dienst, terwijl andere hen onder de functionele leiding brachten van het lokale politiekorps.

 

Het ging inderdaad in grote mate om een vorm van tewerkstelling van langdurig werklozen. Sommigen vonden dat de wachten eigenlijk onvoldoende waren opgeleid en dat er onvoldoende controle was op hun functioneren. Die kritiek klonk nog sterker door op het ogenblik dat de Gemeenschapswachten bijkomend als taak kregen inbreuken vast te stellen op de gemeentelijk reglementen in het kader van de GAS-wetgeving. Sommige observatoren vroegen zich af of zij niet de voorbode werden van een nieuwe gemeentelijke politie onder de voogdij van de burgemeesters, ten gevolge van het feit dat de greep van de burgemeesters flink was ingekrompen bij het inrichten van bovengemeentelijke politiezones.

 

Recent nog, in januari 2014, werd de wet op de Gemeenschapswachten gewijzigd. Er werd in de mogelijkheid voorzien om één dienst Gemeenschapswachten in te richten voor meerdere gemeenten. Ook werden de diplomavereisten aangescherpt en werden bijkomende vereisten gesteld aan de opleiding van de wachten. Er kwam een identificatiekaart voor alle Gemeenschapswachten.

 

Nu zet de regering de deur open voor Gemeenschapswachten die de overstap willen maken naar de lokale politie, in de rang van “agent van politie”, zoals de voormalige hulpagenten. Ze zullen dus dezelfde beperkte politiële bevoegdheden krijgen als hun collega’s. Diegenen die op dit aanbod wensen in te gaan zullen de vernieuwde opleiding van “agent van politie” dienen door te lopen.

 

Er zijn een aantal bezwaren. Terwijl veel Gemeenschapswachten momenteel worden gefinancierd middels de veiligheids- en preventiecontracten, zullen diegenen die toetreden tot de lokale politie onder de financiering van deze politie vallen, waarvoor de gemeenten voor zowat drie-kwart moeten opdraaien. Het gaat dus deels om het afwentelen van federale uitgaven ten nadele van steden en gemeenten.

 

Er zijn ook voordelen. De rekrutering komt in handen van de burgemeesters en korpschefs. Eindelijk wordt hiermee het aftandse rekruteringsmonopolie doorbroken dat door de federale politie wordt gehandhaafd. Ook het feit dat gemotiveerde mensen een toekomstperspectief krijgen is niet onaardig. Intussen hebben de meeste van deze wachten immers veel ervaring in hun job. Het is toch niet nodig om daar schamper over te doen, toch?

 

Daar waar in diverse Europese landen de private veiligheidssector gigantische vormen aanneemt, blijft dat beperkt in ons land. Momenteel is de ratio privaat/publiek in de UK 2,25. Dat betekent dat voor elke publieke politieambtenaar er 2,25 personeelsleden werkzaam zijn in de private sector. In Nederland ligt die ratio op 0,88. Daar, zo blijkt uit onderzoek, zijn er overigens een toenemend aantal gemeenten die private veiligheidsfirma’s inhuren voor toezichtstaken. In ons land is dezelfde ratio 0,38. Dat betekent dat er voor drie publieke ambtenaren slechts één werkzaam is in de private sector momenteel. Of Burgerwachten nu een eigen korps vormen, dan wel toetreden tot de lokale politie, doet niets af van het publiek karakter van hun opdracht.