Blog Paul Ponsaers

2 F E B R U A R I 2 0 1 7 — W W W . K N A C K . B E

‘In Engeland zitten nu zelfs twaalfjarigen in de cel’

 

Terwijl criminaliteitsbestrijding vroeger focuste op het bestraffen van daders, maakt in heel Europa een nieuwe aanpak school: risicomanagement. ‘Alles is gericht op het beheersen van risico’s die zich nog moeten voordoen.’

 

Door KRISTOF CLERIX, foto WOUTER VAN VAERENBERGH

 

In hun nieuwe boek Policing European Metropolises vergelijken criminologen Paul Ponsaers (Ugent) en Elke Devroe (Universiteit van Leiden) het veiligheidsbeleid in 22 Europese steden, van Antwerpen en Brussel tot Londen en Parijs. Het resultaat van dat grootschalige internationale onderzoek is verontrustend. Ponsaers: ‘In heel Europa zie je dezelfde tendens: stadsbesturen voeren meer en meer een eigen veiligheidsbeleid dat ontsnapt aan de greep van de nationale wetgever. Zo krijg je als het ware verschillende stadsrepublieken en verdwijnt het basisprincipe van iedere rechtsstaat, namelijk dat iedereen gelijk is voor de wet.’ Vroeger richtte de lokale politiewerking zich vaak op ‘sociale justitie’: ze wilde de oorzaken van criminaliteit aanpakken door in te zetten op sociale cohesie. Ponsaers: ‘Die klassieke preventie is volledig verschoven naar zuivere crime-assessment. De technologische ontwikkelingen in de veiligheidsindustrie én het angstklimaat dat is ontstaan na de terreuraanslagen in Parijs hebben die verschuiving mee in de hand gewerkt.’ Het risicomanagement in de Europese steden heeft volgens Ponsaers en Devroe een dubbele focus. Het is gericht op de openbare ruimte - denk aan bewakingscamera’s en automatische toegangspoortjes - en op dadergroepen. In hun boek geven ze het voorbeeld van de Amsterdamse Top 600, een watchlist met 600 veelplegers.

 

Hoe volgt Amsterdam die 600 personen precies op?

 

ELKE DEVROE: Het achterliggende idee is dat veelplegers het grootste risico lopen om in de toekomst nieuwe criminele feiten te gaan plegen, en daarom volgt de politie die 600 personen van nabij op. Later dit jaar wordt die lijst trouwens uitgebreid tot 1000 personen. De politie gaat er geregeld op huisbezoek, ook om te voorkomen dat broertjes of zusjes overlast gaan veroorzaken of crimineel gedrag gaan vertonen. Ze past bij die 600 personen ook een likop-stukbeleid toe: de straf of maatregel volgt onmiddellijk op het delict. Zo krijgen de slachtoffers sneller voldoening. Maar op die manier valt de rechterlijke controle weg, want het gaat om een bestraffing door het parket. De vervolgende partij spreekt dus ook de straf uit. De feitenrechter staat alleen nog in voor beroepszaken in de tweede lijn. Dat is volgens ons niet zo’n goede evolutie. In België is die ‘gedwongen hulpverlening’, zoals ze dat in in Nederland noemen, gelukkig nog niet aan de orde.

 

PAUL PONSAERS: En als je de hulp niet aanvaardt, komen er meer controles. In Nederland loopt er nu zelfs een proefproject - overgewaaid uit Scandinavië - waarbij ‘ernstig overlastgevende gezinnen’ worden weggestopt in containerparken in het bos.

 

DEVROE: Als zo’n ‘familie Flodder’ sociale hulp blijft weigeren en het toch klachten blijft regenen, dan kan de burgemeester ze naar die containers sturen. Buitensluiten als oplossing, dat is ook een vorm van risicomanagement.

 

Zonder een beslissing van een rechter?

 

DEVROE: Ja, de burgemeester is daarvoor verantwoordelijk. Een ander voorbeeld is huisarrest: ook dat kan in Nederland door een burgemeester worden opgelegd, als administratieve maatregel. In België zijn de bevoegdheden van de burgemeester iets minder ruim. Hij kan wel panden sluiten of vergunningen schorsen. Maar op het persoonlijke vlak gaat het niet zover als in Nederland.

 

In welk Europees land gaat dat risicomanagement het verst?

 

DEVROE: Zonder enige twijfel in het Verenigd Koninkrijk. Dat heeft te maken met de zaak-James Bulger, de peuter die in de jaren negentig door twee jongens van tien jaar werd ontvoerd en doodgemarteld. De maatschappelijke reactie was toen: we moeten gedragingen inperken voor ze uit de hand lopen. Dat vertaalde zich in de ASBO’s, de Anti Social Behaviour Orders: een rechter beslist dan bijvoorbeeld dat je een jaar lang niet meer met bepaalde vrienden mag optrekken of niet meer naar de discotheek mag gaan. Als je je daar niet aan houdt, krijg je een gevangenisstraf van zes maanden tot een jaar. En dat kan al vanaf twaalf jaar. Door dat systeem zitten in Engeland nu ook heel jonge kinderen in de gevangenis.

 

Op welke manier werken technologische ontwikkelingen de keuze voor risicomanagement in de hand?

 

DEVROE: Dankzij die nieuwe technologie is het vandaag veel gemakkelijker om aan risk assessment te doen. Tien jaar geleden moest je als overheid met probleemjongeren gaan praten. Nu kun je gewoon hun Twitter- en Facebook gebruik analyseren. In Nederland gebruiken ze tegenwoordig een nieuwe app, Burgernet, waarmee mensen de politie kunnen informeren over wat ze op straat zien. Ze krijgen dan een sms bericht met het verzoek om uit te kijken naar een bepaalde persoon of voertuig. De helft van mijn studenten heeft die app geïnstalleerd. Ze vinden dat leuk: een beetje detective spelen. Of het ook echt helpt om misdaden op te lossen, is nog niet bewezen.

 

Dat klinkt als een verkliksysteem.

 

DEVROE: Inderdaad. In België zou dat nooit werken. Maar in Nederland wordt de responsabilisering enorm gepromoot: elke burger en onderneming moet zich betrokken voelen bij veiligheidsoplossingen. Zo staat het letterlijk in het beleidsplan van Amsterdam.

 

Vertrouwen we te veel op technologie als oplossing voor onze veiligheidsproblemen?

 

DEVROE: Ja en dat is heel spijtig. Het gebrek aan menselijk contact zie je overal: in trams, metro, bussen, flatgebouwen. Overal zijn de mensen vervangen door camera’s en technologie.

 

PONSAERS: Op zich is er niets mis met die technologie. Maar we weten dat ze ook misbruikt kan worden. Denk aan de Amerikaanse veiligheidsdienst NSA die Merkels telefoon heeft afgetapt. En als bij ons de federale politie tot tweemaal toe nalaat om bij de Privacycommissie toegang te vragen tot de databank van de Dienst voor Inschrijving van de Voertuigen (DIV), dan hou ik mijn hart vast: wie controleert dat eigenlijk allemaal nog? En is het überhaupt nog controleerbaar?

 

Welke gevolgen heeft dat voor de openbare ruimte?

 

DEVROE: Die wil men zo clean mogelijk maken. Bedelaars krijgen een GAS-boete, Roma’s moeten weg uit het straatbeeld. Al het hinderlijke moet verdwijnen uit de openbare ruimte, waar voor iedereen een soort stadsetiquette heerst. Iedereen moet zich gedragen naar de norm van de stad, bepaald door de burgemeester. Alleen: door mensen buiten te sluiten, creëer je net meer ongelijkheid en polarisering.

 

Onder Bart De Wever is er in Antwerpen een strenger veiligheidsbeleid gekomen. Een goede zaak?

 

DEVROE: Voor sommige zaken werkt een lik-op-stuk-beleid wel. Maar er wordt niet verder gekeken. Het jammere is dat heel het sociale luik, het bestrijden van de mogelijke oorzaken van criminaliteit, wegvalt. Die sociale aanpak levert natuurlijk geen directe politieke winst op. Daarvan zie je de resultaten pas op lange termijn.

 

PONSAERS: Je had in Antwerpen bijvoorbeeld het U-Turnproject, dat hulp bood aan jonge recidivisten.

 

DEVROE: Onderzoek wijst uit dat dat project efficiënt was. Toch is net dat luik in Antwerpen weggevallen.

 

Worden in de Europese steden politietaken ook uitbesteed aan privéspelers?

 

PONSAERS: Het zogenaamde geweldsmonopolie van de overheid is in België nooit doorbroken. In Nederland wel. In Arnem loopt een proefproject in een uitgaanswijk: het is de politie die dronken mensen oppakt, maar het afvoeren gebeurt door een privébedrijf, G4S. Dat gaat gepaard met dwanguitoefening natuurlijk.

 

DEVROE: Die taken overlaten aan privébedrijven vind ik een heel slechte evolutie. Je wéét dat zo’n privébedrijf dat enkel voor de centen doet. De centrale vraag is: aan wie moeten zij verantwoording afleggen?

 

Policing European Metropolises. The politics of security in city regions verschijnt op 24 februari bij Routledge.

Opinie DM 15-12-2015

Nu acteur Zouzou Ben Chikha aan een omstreden politiecontrole werd onderworpen (DM 14/12), staat de kwestie van etnisch profileren opnieuw in de belangstelling.

In oktober 2013 al bracht Amnesty International (AI) een rapport uit, waarin proactief politiewerk als risico voor mensenrechten werd aangekaart. Amnesty wees er in het bijzonder op dat dit proactief politiewerk kan leiden tot etnisch profileren, met name het gebruik maken van criteria of overwegingen over etniciteit of afkomst bij opsporing en rechtshandhaving, terwijl daarvoor in feite geen objectieve rechtvaardiging bestaat. Zo zouden etnische minderheden vaker met politiecontroles worden geconfronteerd, terwijl zij geen verdachte zijn of er geen op de betreffende persoon gerichte aanwijzing voor controle bestaat. AI beschouwde dit als een vorm van discriminatie, die schade berokkent aan de legitimiteit van de politie. AI baseerde deze uitspraken op inventarisatie en analyse van bestaande onderzoeken naar de uitvoering van de politietaak, veiligheidsbeleid en discriminatie.

Ook andere mensenrechtenorganisaties hebben zich de laatste jaren zorgelijk uitgesproken over etnisch profileren: denk aan het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties en de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie (ECRI). Internationaal onderzoek laat zien dat het probleem ook in België speelt. Zo werd in een grootschalige internationale survey (de European Union Minorities and Discrimination Survey, kortweg

MIDIS) gepeild naar ervaringen van minderheidsgroeperingen met politieoptreden, in vergelijking met de meerderheidsbevolking. Hieruit bleek dat leden van  minderheidsgroepen vaker staande worden gehouden dan andere groepen voor politiecontroles in o.a. België, Duitsland en Griekenland.

In België werden 24% van de Noord-Afrikaanse en 18% van de Turkse respondenten staande gehouden in het afgelopen jaar, tegenover 12% van de meerderheidsbevolking. Bovendien bleek dat 6 % (85 dossiers) van het aantal dossiers, dat geopend werd door het Inter-federaal Gelijke Kansen Centrum, ging over discriminatie door vertegenwoordigers van politie, justitie of het gevangeniswezen.

Uit juridisch onderzoek van onderzoeksters van het Human Rights Center

(UGent) kwam naar voren dat, ondanks waarborgen in internationale en nationale rechtsnormen, in de praktijk in België – al dan niet bewust – sprake was van etnisch profileren. Daarnaast constateerden zij dat op de werkvloer van de politie weinig kennis had over de anti-discriminatie wetgeving. Informatie bleek schaars, ook omdat de drempel om een klacht in te dienen hoog bleek te liggen. Andere onderzoekers van UGent deden kwalitatief onderzoek onder allochtone jongeren in het uitgaansmilieu van een Vlaamse grootstad. Hoewel de jongeren constateerden dat allochtonen extra gecontroleerd en in de gaten worden gehouden door de politie, betoonden zij daar paradoxaal wel begrip voor (‘het is begrijpelijk dat de politie zo optreedt, want zij komen nu eenmaal eerder in aanmerking met criminaliteit’).

Punt is dat: (1) de problematiek verre van nieuw is en sinds enige jaren wordt aangekaart, zonder dat dit aanleiding gaf tot concrete beleidsmaatregelen; (2) dit nu gebeurt in een klimaat van verhoogde terreurdreiging, periode waarin de politiemensen als het ware reeds op hun tandvlees zitten en politici dergelijke incidenten vandaag afdoen als ‘collateral damage’; (3) we (hopelijk) morgen terug in een “normaal”

veiligheidsregime belanden, en we alleen maar mogen hopen dat deze vormen van onbehouwen politieoptreden intussen niet mogen ingesleten zijn. Het mag dan de prijs zijn die we vandaag betalen voor de verhoogde terreurdreiging, het mag nooit het eindresultaat zijn om dergelijk politiegedrag morgen als normaal te beschouwen.

Het is onze verdomde plicht telkens weer hardop te roepen dat dit niet kan, en vooral om de periode van verhoogde dreiging zo kort als mogelijk te houden.

 

QUOTE

Het mag de prijs zijn die we vandaag betalen voor de verhoogde terreurdreiging, dergelijk politiegedrag mag morgen nooit als normaal worden beschouwd

ma 07/12/2015 - 13:37 Paul Ponsaers De aanslagen in Parijs hebben gevolgen voor onze politiediensten. Blijft het de agent in de straat of wordt het de agent met een wapen? Tussen woord en daad groeit een onoverbrugbare spagaat.

De gebeurtenissen in Paris op 13 november 2015 hebben Europa grondig door elkaar geschud. Het ging dan ook om een ronduit weerzinwekkende reeks van aanslagen. De noodtoestand werd in Frankrijk afgekondigd en de Franse regering reageerde met fors militair geweld tegen IS. In de nasleep hiervan kwam ons land in toenemende mate in het vizier van internationale waarnemers, die wezen op Sint-Jans-Molenbeek als broeinest van de internationale terreur. Op advies van OCAD verhoogde de regering het dreigingsniveau naar het hoogst denkbare.

Het leger verscheen in het straatbeeld, grootschalige huiszoekingen vonden plaats, anti-terreur maatregelen werden voorgesteld, de herstructurering van de Brusselse zonale politie kwam ter sprake, de verbreding van de inzet van de private veiligheidssector verscheen op de agenda, en nog veel meer.

Politie in de buurt?

Reeds lang voor de Parijse hel van 13 november 2015 echter was evenwel al duidelijk dat de besparingspolitiek van de Belgische overheid gestaag invrat op de filosofie die ten grondslag lag van het Belgische politiebestel dat in 2001 werd ingevoerd ter gelegenheid van de politiehervorming, met name de gemeenschapsgerichte politie of ‘Community Policing’ (COP). Sindsdien is de spagaat tussen de voorgestane politievisie enerzijds en de politiepraktijk ‘in actie’ anderzijds enkel maar vergroot. Dit leidt mijns inziens tot een feitelijke versmalling van het mandaat van de politie. De inzet van “Community Officers”, die binnen de lokale politiekorpsen belast zijn met het buurtgerichte werk, komt op te helling te staan.

Naar aanleiding van de implementatie van de hervormde Belgische politie in 2001 werd geopteerd voor een gemeenschapsgerichte politie of ‘Community Policing’ (COP). Sindsdien vormt dat gedachtegoed de leidraad voor het politieel handelen in ons land. Tenminste, dat is de officiële zienswijze die nog steeds met de mond wordt beleden van beleidszijde.

In essentie is de rode draad doorheen deze COP-visie dat politie een breed maatschappelijk mandaat dient op te nemen, die haar legitimiteit ontleent aan de instemming van de bevolking. COP is wezenlijk een instemmingsmodel, een “consent”-model. In deze zienswijze werkt de politie in en ten dienste van de gemeenschap, is maatschappelijk betrokken en is gericht op de bevordering van de veiligheid en het welzijn van de bevolking.

De bakermat van het “consent” model is het Verenigd Koninkrijk. Het centrum van dit denken is het voorkomen van misdrijven en het bewaren van de vrede door een constante en zichtbare aanwezigheid op straat van geüniformeerde, in principe ongewapende politiemensen. De politie wordt in een dergelijke zienswijze één van de partners in het brede maatschappelijke middenveld die de oorzaken van criminaliteit, onrust en sociale wanorde trachten te beheersen. COP houdt dan ook een essentiële preventieve opdracht in : het voorkomen dat er zich problemen verdichten in bepaalde groepen of op specifieke plaatsen, en de ambitie om bij te dragen aan het terugdringen van de oorzaken ervan.

Radicalisering?

Dat betekent dat, daar waar het gaat om radicalisering van jongeren, de voedingsbodem van die radicalisering wordt tegengegaan. Heel concreet komt dat neer op het verschaffen van tewerkstelling, van degelijk onderwijs en sociale huisvesting, van bijstand en zorg. Uiteraard is dat niet de uitsluitende opdracht van de politie, maar is dat een gemeenschappelijke opdracht van de publieke overheid, tot op grote hoogte van het lokaal gemeentelijk beleid. Buurthuizen, straathoekwerkers, opvoeders, inburgerings- en hulpverleningscentra en vele anderen dragen daartoe bij, samen met allerhande gemeentelijke diensten.

De politie moet er dan op toekijken dat er geen breuken ontstaan in de maatschappelijke textuur, dat ieders rechten worden gewaarborgd, dat geen spanningen of kortsluitingen ontstaan, enz. Doorheen de jaren heen zijn we deze aanpak een ‘integrale veiligheidsaanpak’ beginnen te noemen. Politie is niet langer dus louter een organisatie, maar een werkwoord, met name ‘policing’.

Het lijkt er fel op dat we in ons land op een turbulent keerpunt zijn gekomen. Er lijkt een groeiende kloof te ontstaan tussen de visie op het politiewerk, die officieel wordt omarmd en bij herhaling is neergelegd in visiedocumenten, en de concrete politiepraktijk. Er is een grote kloof tussen wat er wordt gezegd en wat er feitelijk gebeurt. Terwijl de politie-organisatie in grote mate blijft vasthouden aan een maatschappelijk geïntegreerde politie, gebaseerd op een “consent” model (instemming), sluipt het “control” model (beheersing) de politieke besluitvorming binnen, met nadruk op misdaadbestrijding en handhaving van de openbare orde (Law & Order Police) en een politie die op grotere afstand komt te staan van het publiek. Kortom: de politie prefereert het “consent” model, maar krijgt sluipenderwijs het “control” model.

Centralisering en schaalvergroting

Een dergelijk “control” model grijpt in grote mate terug naar een verouderde Napoleontische opvatting over politie, waarin het politieel optreden sterk centralistisch wordt opgevat en waardoor in een stad als Parijs vandaag nog steeds de Nationale Politie de plak zwaait, zonder enige aansluiting met het stedelijk beleid van de metropool. De gevolgen daarvan hebben we kunnen merken in 2005 ter gelegenheid van het fel bekritiseerde optreden van deze politie in de Parijse banlieus. Eén ding is zeker: de Fransen hebben ons weinig te leren op dit vlak.

In diverse Europese landen doet zich momenteel een centralisering, tot zelfs nationalisering, van het politiebestel voor. Dat is bijvoorbeeld het geval in Nederland geweest, met het recente aftreden van korpschef Gerard Bouman en het publiek failliet van het nieuwe nationaal bestel. De nationalisering werd gepresenteerd als de mirakeloplossing voor alle problemen van de Nederlandse politie, terwijl meteen het “consent” model in de verdediging werd geduwd, ten voordele van een oprukkend “control” model.

Maar we zien gelijkaardige bewegingen ook bijvoorbeeld in Schotland, waar de federalisering van het V.K. ondermeer van politieke zijde werd bevochten middels de eenmaking van het bestel binnen een Nationale Politie; of in het Spaanse Catalonië, waar het referendum ten voordele van onafhankelijkheid werd vooraf gegaan door het op de been brengen van een eigen, Catalaanse politie, de Mossos d’Esquadra.

Zo’n vaart loopt het alsnog niet in ons land. Voorlopig is er een relatief grote consensus omtrent de handhaving van het Belgisch bestel, gesteund op twee pijlers, met name een federale politie en lokale zonale korpsen. Wat we vandaag wel merken is dat enerzijds de zogenaamde ‘optimalisering’ van de federale politie moeilijk, zoniet slecht, verteerd raakt intern, terwijl anderzijds de lokale politiezones aangemoedigd worden grotere entiteiten te vormen op vrijwillige basis, onder druk van de besparingslogica.

Wat in Brussel?

De grondgedachte bij de hervorming van 2001 was in grote mate de politiële werking nauw te laten aansluiten op het gemeentelijke beleid, zodat precies hogergenoemd ‘integraal veiligheidsbeleid’ reële kansen kreeg. Dat vandaag een tendens tot opschaling van politiezones ontstaat is begrijpelijk, doch niet noodzakelijk steeds wenselijk. In de mate dat politiezones verder weg komen te staan van het gemeentelijk integraal veiligheidsbeleid worden immers de kansen op een gemeenschapsgerichte politie immers kleiner.

Het hernemen van het oude voorstel van samensmelting van de zes politiezones van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is op zich best verdedigbaar, en mijns inziens zelfs noodzakelijk, indien dit echter ook leidt tot de samenvoeging van de 19 Brusselse gemeenten tot één bestuursniveau, of één stedelijk gebied. Het is slechts op deze manier dat een ‘integraal veiligheidsbeleid’ ook in Brussel vorm kan gegeven worden. De Europese realiteit leert ons dat metropolen best worden voorzien van robuuste korpsen (denk maar aan de London Metropolitan Police), die onder de supervisie van één burgemeester functioneren, precies met het oog op het garanderen van een goede aansluiting op het globaal stedelijk beleid. Denk hierbij aan Berlijn, waar de premier van de Berlijnse deelstaat meteen ook fungeert als burgemeester van de stad en in grote mate grip heeft op het korps dat actief is op het metropolitaan grondgebied.

Het creëren van één Brusselse politiezone, zonder te raken aan de 19 afzonderlijke gemeenten, kan echter enkel maar tot een grotere afstand tussen het bestuur en de politie leiden en meteen leiden tot minder gemeenschapsgerichtheid.

Besparingen in scholen, jeugwerking, buurthuizen ...

Het grootste probleem ligt evenwel niet in de tendens tot schaalvergroting van de politie. Het meest schrijnende probleem ligt in het feit dat de overheid in toenemende mate, in de huidige tijden van schaarste, in toenemende mate besparingen doorvoert binnen het ruime veld van sociale voorzieningen en de welvaartsstaat uitholt, alle programma’s gericht op sociale rechtvaardigheid en cohesie ten spijt. Hierdoor komt de gemeenschapsgerichte politie in grote mate onder druk te staan.

Partnerships met scholen, jeugdwerkers, buurthuizen e.d.m. worden herleid tot pure symbolische retoriek als dat maatschappelijk middenveld geen financiële ademruimte meer heeft. Of, hoe de politietaak in toenemende wordt versmald tot het bestrijden van symptomen bij gebrek aan voldoende middelen om haar medewerking te verlenen aan een reëel stedelijk project.

Versterkte focus op misdaadbestrijding

Reeds in 2010 leverde onze onderzoeksgroep (UGent) een studie af, onder de titel ‘Preventie van radicalisering in België’, waarin deze lijn werd aangehouden en waaruit tal van beleidsaanbevelingen voortvloeiden, gericht op het versterken van de banden met het maatschappelijk middenveld. We hebben moeten vaststellen dat veel te laat en veel te weinig doortastend beleid werd ontwikkeld op deze lijn. Het resultaat is dat vele jaren lang in sommige buurten in het Brusselse de kanker van de radicalisering kon voortwoekeren, zonder dat werd doorgepakt naar de wortels van het kwaad.

Vandaag zien we dat de overheid in haar terreurkoorts ten gevolge van de gebeurtenissen in Parijs blind allerhande maatregelen ontwikkelt, die vooral gericht zijn op de ontwikkeling van het repressieve luik van de terreurbestrijding en het preventieve luik ongemoeid wordt gelaten. Zo is er sprake van de ontwikkeling van een database voor terugkeerders uit Syrië, terwijl we hadden moeten voorkomen dat jongeren naar Syrië vertrokken dankzij de alertheid en ondersteuning van leerkrachten en ouders. We zetten militairen in bij bewakingsopdrachten in de publieke ruimte om de politie te ontlasten, terwijl we de politie hadden moeten versterken in haar preventieve opdracht vóórdat het kwaad was geschied. We breiden de lijst van terroristische misdrijven uit, voeren bijzondere opsporings- en informatietechnieken in bij antiterreuroperaties, verruimen het inzetten van afluisterapparatuur, en dergelijke meer. Allemaal maatregelen die gesteund zijn op het blinde geloof in de afschrikkende kracht van opsporing en sanctie tegen reeds geradicaliseerde jongeren die zonder angst hun bomgordel tot ontploffing brengen. Wat zouden ze vrezen voor sancties? Zowat alle experts zijn het in deze materie erover eens dat enkel preventie werkzaam kan zijn en de regering kijk zonder enige schroom de andere richting uit.

Het is mijn overtuiging deze evoluties het gevolg zijn van de beleidsopvattingen die politici hebben over de ware aard van het politiewerk, met name misdaadbestrijding. Het blijkt een opvatting die vooral in tijden van economische schaarste een grote aantrekkingskracht heeft. Nochtans weten we dat de invloed van politie op criminaliteit zeer beperkt is. Dat is eenvoudigweg omdat de oorzaken van criminaliteit zich buiten de invloedssfeer van de politie bevinden. Een gemeenschapsgerichte politie vervult erg veel taken, zoals het handhaven van de vrede of sociale taken, die meestal niets van doen hebben met misdaad. Het brengt de politie veelvuldig in contact met kwetsbare personen in de samenleving. Een overdadig accent op de misdaadbestrijding vervreemdt de politie van de bevolking. Dit is nadrukkelijk een breuk met hoe de Belgische politie zich na de hervorming heeft ontwikkeld.

Nood aan een breed maatschappelijk debat

Het ontbreekt aan een politiek en maatschappelijk debat over de geschetste evolutie van een “consent” naar een “control” model. Er wordt gevraagd om meer middelen voor veiligheid, zonder dat ook maar iemand blijk geeft na te denken over wat aan veiligheid bijdraagt en welke rol de politie daarin speelt. Ondertussen is de politie geleidelijk op weg een organisatie te worden die slechts taken uitvoert en vooral tegenover de burgers staat. Wie heeft op welk moment besloten dat we die kant op willen, zo vraag ik me af.

Veel van wat de politie nu doet, zal terecht komen bij toezicht en handhaving - en andere sociale functies - van de gemeenten. Dat is een onverstandige keuze. Gezien wat er allemaal op onze samenleving afkomt, is een politie op afstand van de bevolking een slecht idee. Wat echter volstrekt niet acceptabel is, is dat er een fundamenteel andere politie ontstaat zonder voorafgaand politiek en maatschappelijk debat.

http://deredactie.be/cm/vrtnieuws/opinieblog/opinie/1.2517293

The study of white-collar crime remains a central concern for criminologists around the world and research concentrates on its nature, prevalence, causes and responses. However, most books on white-collar crime tend to focus on Anglo-American examples, which is surprising given the amount of rich data and research taking place in mainland Europe. This new handbook seeks to reset the balance and, for the first time, presents an overview of state-of-the-art research on white-collar crime in Europe.

Adding to the existing Anglo-American body of knowledge, the Handbook will discuss specific European topics and typical European features of white-collar crime. The Routledge Handbook of White-Collar and Corporate Crime in Europe consists of more than thirty chapters on topics ranging from the Icelandic Banking Crisis, to the origins of the study of white collar crime, to contemporary topics, such as white-collar crime in countries post-transition from communist regimes; the illegal e-waste trade and white-collar crime in professional football. Furthermore, the book contains extensive case study analyses of landmark European cases of white-collar crime.

The editors have gathered together the leading voices in the field and a final section offers commentaries on white-collar crime in Europe from eminent criminologists David Friedrichs and Hazel Croall. This Handbook will thus serve as a work of reference for all scholars and students engaged in the study of corporate and white-collar crime and will also set out directions for new research in the future.